1998/2 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

De familie Sewnandan

tegen

P.R. de Vries

In een brief met bijlage van 21 juli 1997 heeft de familie Sewnandan (klagers) een klacht ingediend tegen de journalist P.R. de Vries (betrokkene). Klagers hebben eind juli 1997 zeven aanvullende bijlagen aan de Raad toegezonden. Bij brief van 15 augustus 1997 met tien bijlagen, waaronder een videoband, heeft betrokkene hierop gereageerd. Bij brief van
25 augustus 1997 heeft betrokkene het verweer nog aangevuld. In een brief van 26 augustus 1997 tot slot hebben klagers een opmerking aan de klacht toegevoegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 1997. Klagers, bijgestaan door mr. E.M. Buijs-van Bemmel, advocaat te Rotterdam en betrokkene zijn verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij mr. Buijs pleitnotities heeft overgelegd.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 3 januari 1996 heeft op de Bezuidenhoutseweg in Den Haag een auto-ongeluk plaatsgevonden, waarbij H. Ramcharan en C. Munshi om het leven zijn gekomen. Zij waren de inzittenden van een BMW van het type M-3 die met zeer hoge snelheid tegen een boom is gereden. Ooggetuigen hebben verklaard dat zij voorafgaand aan het ongeluk een tweede auto van hetzelfde merk en type hebben gezien. Omdat deze auto eveneens met zeer hoge snelheid reed leek het erop dat de auto's een "race" hielden. De bestuurder van de tweede BMW is na het ongeval doorgereden zonder zijn identiteit bekend te maken.

Tegen Ramon Sewnandan (hierna: Ramon), die op de avond van 3 januari 1996 tezamen met H. Ramcharan en C. Munshi in een BMW M-3 uit Rotterdam naar Den Haag was gereden, is door de politie een gerechtelijk vooronderzoek gestart. Ramon heeft iedere betrokkenheid bij het ongeval ontkend. Het vooronderzoek liep nog op het moment dat betrokkene door de moeder van H. Ramcharan werd benaderd met het verzoek eveneens een onderzoek in te stellen naar de toedracht van het ongeval.

Betrokkene heeft ten behoeve van zijn onderzoek een interview gehouden met Ramon, die daaraan vrijwillig zijn medewerking heeft verleend. Op 13 augustus 1996 is in het programma "Peter R. de Vries, misdaadverslaggever" een rapportage over de kwestie uitgezonden. Daarin is onder meer het interview met Ramon verwerkt. Voorafgaand aan de uitzending heeft Ramon via zijn advocaat geprotesteerd tegen een passage uit het interview, welke passage desondanks in het programma is gehandhaafd.
Ramon heeft na de uitzending geen contact meer met betrokkene gezocht en heeft evenmin zelf een klacht tegen het programma ingediend.

Het justitieel onderzoek tegen Ramon heeft geleid tot de beslissing niet tot vervolging over te gaan wegens gebrek aan bewijs dat Ramon bij het ongeval betrokken is geweest. Dit is bij brief van 19 november 1996 aan de ouders van de slachtoffers bericht.

Op 30 november 1996 is Ramon voor zijn huis vermoord, naar later is gebleken door een huurmoordenaar welke door een familielid van een van de slachtoffers was ingeschakeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen zich op het standpunt dat de berichtgeving van betrokkene suggestief is geweest, nu naar hun mening in het programma de stellige indruk is gewekt dat Ramon bij het ongeval betrokken is geweest en hij de ware toedracht opzettelijk heeft verzwegen. Betrokkene heeft volgens klagers met zijn programma bijgedragen aan de dood van Ramon. Door deze handelwijze heeft betrokkene de grenzen overschreden van wat maatschappelijk en journalistiek aanvaardbaar is.

Betrokkene stelt dat Ramon vrijwillig heeft meegewerkt aan het programma. Nu het interview pas een week na het eerste contact is opgenomen heeft hij volgens betrokkene daarbij ook voldoende bedenktijd gehad. Betrokkene wijst erop dat de door Ramon ingeschakelde advocaat uitsluitend heeft geprotesteerd tegen een passage uit het interview, niet tegen de uitzending als zodanig. Ook is Ramon na de uitzending niet meer op de kwestie teruggekomen. Betrokkene meent dat hij niet journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de uitzending heeft bijgedragen aan de moord die een half jaar - en enkele publicaties over de zaak elders - later heeft plaatsgevonden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

De Raad is van oordeel dat de uitzending niet dusdanig suggestief was dat Ramon werd aangewezen als medeschuldige aan het ongeval. Betrokkene heeft in het interview kritische vragen aan Ramon gesteld, echter, gelet op de feiten, niet zonder aanleiding. De Raad acht in dit verband tevens van belang dat Ramon zelf kennelijk in de uitzending geen aanleiding heeft gevonden een klacht tegen betrokkene in te dienen, zelfs niet om op welke andere wijze dan ook contact met betrokkene op te nemen.

Klagers hebben voor het overige geenszins aannemelijk gemaakt dat er enig causaal verband bestaat tussen de uitzending en de moord op Ramon, zodat de klacht ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aandacht aan deze uitspraak te besteden in het programma "Peter R. de Vries, misdaadverslaggever".

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 januari 1998, door Prof. mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. B.A. Schmitz, K. Wiese en K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-2