1998/19 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Mr. J.E.B. van Julsingha

tegen

H. Korver, R. Couwenhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 25 februari 1998 met twee bijlagen heeft Mr. J.E.B. van Julsingha (klager) een klacht ingediend tegen verslaggevers H. Korver en R. Couwenhoven alsmede de hoofdredactie van De Telegraaf (betrokkenen). Bij brief van 16 maart 1998 met zes bijlagen hebben Korver en Couwenhoven namens betrokkenen op de klacht gereageerd. Bij brief van 9 april 1998 heeft klager 13 aanvullende producties aan de Raad toegezonden. In een faxbrief van 14 april 1998 hebben betrokkenen tegen deze nadere producties geprotesteerd onder verwijzing naar een brief van 24 maart 1998 van de Raad waarin was vermeld dat "de schriftelijke uitwisseling van stukken in deze kwestie is beëindigd".

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 april 1998. Klager is verschenen en heeft zijn klacht aan de hand van pleitaantekeningen toegelicht. Betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In De Telegraaf van 31 januari 1998 is een bijna paginagroot artikel gepubliceerd onder de koppen "Hoe objectief is Mr. Van Julsingha?" en "Speciale rapporteur Steenhuis-affaire boycotte bijbanenonderzoek Henk Rem". Bij het artikel is een grote foto geplaatst waarop klager in toga is geportretteerd. Onderwerp van het artikel is de benoeming van klager tot een van de rapporteurs over de affaire-Steenhuis, waarbij wordt verwezen naar het feit dat klager oud-president van het gerechtshof te Arnhem is en naar het in 1992 door H. Rem aldaar begonnen onderzoek naar belangenverstrengeling binnen de rechterlijke macht. Het grootste deel van het artikel is gewijd aan de "kwestie Rem", waarbij ook Rem uitvoerig is geciteerd.

In het artikel zijn onder meer de volgende passages vermeld:

"Uitgerekend mr. Van Julsingha was zes jaar geleden de man die Henk Rem dwarsboomde bij zijn onderzoek naar belangenverstrengelingen van de magistraten";
"Henk Rem liet zich niet wegjagen en kon met een arrest van de Hoge Raad in de hand tenslotte toch zijn onderzoek afdwingen. Daarin toonde hij aan dat één van de rechters in zijn zaak getrouwd was met een advocate die nog tot kort voor de uitspraak in dienst was bij het advocatenkantoor van zijn tegenpartij.";
en:
"Het is opmerkelijk dat mr. Van Julsingha zich indertijd met hand en tand verzette tegen mijn onderzoek naar de integriteit van zijn rechters, terwijl hij nu zelf zo'n onderzoek moet instellen bij een topfunctionaris van justitie. (..) Maar vreemd is ook nog dat mr. Dato Steenhuis als plaatsvervangend procureur-generaal in Arnhem werkte in dezelfde periode dat mr. Van Julsingha daar nog president was."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager meent dat ten onrechte zijn integriteit en betrouwbaarheid als rapporteur in de zaak Steenhuis in twijfel worden getrokken. Hij voelt zich in diskrediet gebracht en aangetast in zijn eer en goede naam. Klager wijst erop dat een dergelijk, bijna paginagroot artikel met een grote foto en koppen een groot effect heeft op het publiek.
Klager stelt dat de feitelijke grondslag waarop de tegen hem gerichte beschuldigingen zijn gebaseerd, grotendeels onjuist is en dat voorzover de weergegeven feiten wel juist zijn, deze geen grond voor verwijten opleveren. Klager wijst erop dat geen wederhoor heeft plaatsgevonden.

Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat een groot deel van de kritiek op klager reeds was gepubliceerd in een artikel in haar krant van 8 januari 1994, waarin Rem de vermeende belangenverstrengeling bij het gerechtshof in Arnhem aan de kaak stelde. Betrokkenen stellen dat de mening van klager hierover hem destijds is gevraagd en in het artikel van 8 januari 1994 reeds is weergegeven, onder meer waar het betreft de band tussen de echtgenote van een van de raadsheren uit het gerechtshof met het advocatenkantoor van de wederpartij van Rem. Na de publicatie van dit artikel hebben klager noch andere in het artikel genoemde personen gevraagd om een rectificatie van het artikel, aldus betrokkenen. Ook wijzen betrokkenen erop dat klager evenmin heeft geprotesteerd toen in december 1996 het zogenaamde IRM-rapport door de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Rechterlijke Macht aan onder meer de leden van de Tweede Kamer is aangeboden.

Betrokkenen zijn van mening dat zij het recht hebben te citeren uit het artikel van 8 januari 1994, waarin zowel Rem als klager aan het woord zijn gelaten en waartegen klager zich niet heeft verweerd. Betrokkenen betwisten dan ook onjuist te hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

Allereerst wijst de Raad erop dat het zijn gewoonte is nadere stukken te accepteren tenzij daartegen bezwaar wordt gemaakt en de bezwaarmakende partij daarbij ook een redelijk belang heeft. Klager heeft de nadere stukken op voorhand aan de Raad en aan betrokkenen toegezonden teneinde hen daarmee op de zitting niet te overvallen. Het zijn alle stukken die dienen ter aanvulling op reeds in de klacht verwoorde stellingen. Hoewel betrokkenen derhalve op voorhand van de inhoud van de nadere stukken op de hoogte waren, zijn zij ter zitting niet verschenen en hadden zij kennelijk geen behoefte aan het geven van een nadere reactie of toelichting. Onder al deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat betrokkenen geen redelijk belang hebben bij het bezwaar tegen de nader ingebrachte stukken. Deze worden daarom door de Raad aanvaard.

De Raad is in het algemeen van oordeel dat het putten uit een eerder verschenen c.q. gearchiveerd artikel, journalisten niet ontslaat van de plicht om wederhoor te plegen ten behoeve van een nieuw te publiceren artikel. Het feit dat naar aanleiding van het eerdere artikel niet is geprotesteerd doet daaraan niet af. Het afzien van een verzoek tot rectificatie maakt iemand nog niet "vogelvrij". In dit geval is bijvoorbeeld van belang dat klager in het artikel van 8 januari 1994 slechts in de zijlijn werd genoemd in een artikel dat een breder doel diende, terwijl het artikel van 31 januari 1998 aanzienlijk meer op zijn persoon gericht is.

Uit dit laatste blijkt reeds dat de stelling van betrokkenen dat zij uit het artikel van 8 januari 1994 hebben geciteerd, feitelijk onjuist - en in ieder geval niet volledig - is. In het artikel van 31 januari 1998 zijn vele punten toegevoegd die in het oorspronkelijke artikel niet waren vermeld; omgekeerd is in het artikel van 8 januari 1994 een weerwoord van klager vermeld dat in het artikel van 31 januari 1998 is weggelaten. Klager heeft in de stukken en ter zitting duidelijk gemaakt dat het artikel een aantal feitelijke onjuistheden bevat die hij eenvoudig had kunnen weerleggen indien hem wederhoor was geboden. Zo is duidelijk dat de echtgenote van een van de raadsheren die het arrest in de zaak Rem heeft gewezen, slechts van 20 januari 1988 tot 16 januari 1989 als stagiaire aan de Nijmeegse vestiging van het kantoor van de advocaat van de wederpartij van Rem verbonden is geweest, terwijl het tussenarrest van mei 1991 dateert. Ook is een eenvoudig na te gaan feit dat mr. Steenhuis eerst nádat klager per 1 juli 1995 met pensioen was gegaan, tot plaatsvervangend procureur-generaal bij het gerechtshof te Arnhem is benoemd.

Het verwijt aan het adres van klager dat hij niet onafhankelijk zou zijn in de zaak Steenhuis is derhalve mede gebaseerd op feitelijke onjuistheden. Temeer daar geen feiten zijn genoemd die genoemd verwijt wel ondersteunen en gelet op het feit dat geen wederhoor is toegepast, hebben betrokkenen naar het oordeel van de Raad de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in De Telegraaf.

Aldus vastgesteld door de Raad op 28 mei 1998, door Prof. mr. E.C.M. Jurgens, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes, A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-19