1998/17 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.W. Rijghard

tegen

de hoofdredacteur van de Zwolse Courant

Bij brief van 4 februari 1998 met één bijlage heeft A.W. Rijghard (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Zwolse Courant (betrokkene). In een ongedateerde brief hebben C. van Dalen en G. Meijer, redacteuren van de Zwolse Courant, op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 april 1998. Klager is verschenen en heeft zijn klacht toegelicht. Betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager heeft als vrijwilliger de functie van hoofdredacteur vervuld bij de Lokale Omroep Hardenberg (LOH). Hij heeft deze functie om gezondheidsredenen neergelegd.
Op 30 januari 1998 is in de editie Noordoost-Overijssel van de Zwolse Courant een artikel verschenen over de LOH. In dit artikel is aandacht besteed aan het neerleggen van hun functies door respectievelijk de directeur omroepzaken van LOH en klager. In de inleidende tekst is vermeld dat klager om gezondheidsredenen zijn taak heeft neergelegd. In het artikel is vervolgens LOH-voorzitter H. Speekenbrink geciteerd, waarbij onder meer is vermeld:

"Speekenbrink meent dat het te maken heeft met de psychische problemen waarmee Rijghard volgens hem kampt. 'Hij is onder behandeling van een psychiater en die had al eens tegen hem gezegd: ga je zo door bij die omroep, dan gaat het verkeerd met je. Hij verzette enorm veel werk.'"

Vervolgens is vermeld:

"Rijghard (..) bevestigt het verhaal dat zijn 'behandelaar' hem adviseerde op psychische gronden te stoppen met het omroepwerk, om erger te voorkomen. (..)"

Voorafgaand aan het verschijnen van het artikel heeft G. Meijer telefonisch contact met klager opgenomen, geïnformeerd naar de situatie en gevraagd om een bevestiging van de gestelde gezondheidsproblemen. Klager heeft Meijer, die hij uit hoofde van zijn functie kende, in een circa 15 minuten durend gesprek openheid van zaken gegeven.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft geen bezwaar tegen de vermelding van het feit dat hij om gezondheidsproblemen zijn functie heeft neergelegd. Hij meent echter dat het vermelden van de aard van zijn klachten irrelevant is in het kader van de strekking van het artikel, strijdig is met de journalistieke ethiek, een aantasting is van zijn persoonlijke levenssfeer en schadelijk is voor zijn huidige en/of toekomstige belangen binnen de Hardenbergse leefgemeenschap. Hij heeft het openhartige telefoongesprek met Meijer gevoerd in het vertrouwen dat deze geen gebruik zou maken van door hem gedane mededelingen, waarvan de verslaggever had moeten weten dat deze niet voor publicatie bestemd waren vanwege privacygevoeligheid.

Betrokkene stelt zich op het standpunt dat er gezien de maatschappelijke functie van klager voldoende aanleiding was om in de krant aandacht te schenken aan een kennelijk gerezen conflict en de achtergronden daarvan. Hij meent dat hoor en wederhoor op juiste wijze is toegepast en dat klager daaraan zonder terughoudendheid zijn medewerking heeft verleend. Klager heeft tegenover Meijer zijn psychische situatie uitvoerig toegelicht, welke toelichting door de redactie om redenen van privacy is teruggebracht tot vermelding van slechts de essentie ervan. Deze kon naar de mening van betrokkene voldoende relevant worden geacht. Betrokkene betwist dan ook onjuist te hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

In aanmerking genomen de wijze waarop de geciteerde passages naar klager aanneemt in zijn leefomgeving in Hardenberg zijn opgevat, kan de Raad zich goed voorstellen dat klager tegen opname van die passages bezwaar heeft. Het nadrukkelijk vermelden van de aard van de klachten van klager was ook niet noodzakelijk voor de berichtgeving waarom het in het artikel ging. Desalniettemin is het handelen van betrokkene naar de mening van de Raad niet in strijd met hetgeen naar journalistieke maatstaven aanvaardbaar is. Immers wederhoor heeft plaatsgevonden. Klager wist dat hij met een journalist sprak. Desondanks heeft hij geen enkel voorbehoud gemaakt ten aanzien van de toen door hem gegeven informatie.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze uitspraak aandacht te besteden in de Zwolse Courant.

Aldus vastgesteld door de Raad op 28 mei 1998, door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, Prof. mr. E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-17