1998/15 gegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

C. Anakotta-Sapulette

 

 

tegen

 

 

hoofdredacteur van de kabelkrant Emmen/Stadskanaal

 

 

Bij brief van 5 november 1997 met 4 bijlagen heeft mr O. Holzscherer, juridisch medewerker bij het Bureau voor Rechtshulp te Assen, namens mevrouw C. Anakotta-Sapulette te Musselkanaal (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de kabelkrant Emmen/Stadskanaal (betrokkene).
Hierop is door mr J.P.J. de Groen, juridisch medewerker bij Wegener Arcade, namens de heer K. Kersten, voormalig hoofdredacteur, gereageerd in een brief 5 februari 1998.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 maart 1998.
Klaagster verscheen in persoon, bijgestaan door haar zoon H. Anakotta. Betrokkene is niet verschenen.

 

 

 

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

 

De kabelkranten Emmen en Stadskanaal publiceerden op 26 februari 1997 een twee-pagina bericht over de rechtszitting waarbij een zoon van klaagster werd veroordeeld wegens doodslag.
In het bericht werd gesproken over een veroordeling wegens 'moord' en de volledige achternaam van de veroordeelde werd genoemd. Nadat de familie contact opnam met de redactie is het bericht verwijderd. In totaal heeft het bericht twee uur op de kabelkrant gestaan. Op herhaalde klachten van de familie aan betrokkene werd na verloop van een maand gereageerd. Betrokkene heeft in die reactie zijn verontschuldigingen aangeboden.
De kabelkranten Emmen en Stadskanaal ressorteren sinds medio 1997 niet meer onder Wegener Kabel TV, maar onder de activiteiten van de Noordelijke Media Groep.

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster vindt de vermelding van de achternaam van haar zoon en het foutieve bericht dat hij wegens moord is veroordeeld onzorgvuldig. Het bericht stond op de kabelkrant van 17.00 tot 19.00 uur, een tijdstip waarop veel mensen televisie kijken. De familie heeft hierdoor schade geleden. Haar kinderen ervaren problemen op school en bij het zoeken naar werk. Zelf heeft ze gemerkt dat dorpsgenoten haar ineens niet meer groeten. Klaagster vindt ook de wijze waarop betrokkene met haar klachten is omgegaan niet zorgvuldig. Pas na drie brieven ontving zij een antwoord van betrokkene. Nadat klaagster haar klacht aan de Raad voor de Journalistiek had gestuurd heeft betrokkene haar een vergoeding van f. 250,00 aangeboden voor de gemaakte onkosten, op voorwaarde dat de klacht werd ingetrokken. Dit aanbod heeft zij afgewezen.

 

Betrokkene geeft toe dat er ten aanzien van de berichtgeving van een zeker onzorgvuldig handelen sprake is geweest. Nadat men van de bezwaren van de familie vernam, heeft de redactie het bericht echter onmiddellijk verwijderd. Bovendien heeft betrokkene excuses aangeboden. De trage reactie op de brieven van de familie wijt betrokkene aan een aantal ontwikkelingen die verband hielden met de voorgenomen verkoop van de kabelkranten.

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Tussen partijen staat vast dat er bij de berichtgeving fouten zijn gemaakt. Het bericht spreekt over 'moord' in plaats van 'doodslag' en vermeldt, in strijd met de hierover in Nederland algemeen geaccepteerde journalistieke opvattingen, de volledige naam van de veroordeelde. Het is aannemelijk dat daarmee schade en leed is berokkend.
Het gewraakte bericht is van de kabelkrant verwijderd nadat de redactie van de bezwaren van klaagster en haar familie vernam. De vraag is of daarmee de berokkende schade kon worden goedgemaakt.
Het lag op de weg van betrokkene om zo spoedig mogelijk met de familie in contact te treden en te onderzoeken waaruit de geleden schade bestond en hoe die kon worden gecompenseerd. De raad is van oordeel dat niet tijdig en adequaat op de brieven van klaagster en haar familie is gereageerd. Het aanbieden van excuses nadat al een maand was verstreken, is onvoldoende, evenals het in een nog aanzienlijk later stadium, namelijk na 19 januari 1998 gedane aanbod om f. 250,00 te betalen als tegemoetkoming in de kosten. De raad is dan ook van oordeel dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting op de Kabelkrant Emmen en Stadskanaal te publiceren.

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 17 april 1998 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr B.A. Schmitz, K. Wiese en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

 

 

Uitspraak 1998-15