1998/12

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

J.J.L. de Soeten

 

 

tegen

 

 

hoofdredacteur Leidsch Dagblad

 

 

Bij brief van 11 december 1997 met 14 bijlagen, heeft de heer J.J.L. de Soeten te Oegstgeest (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad (betrokkene).

 

 

Nadat een poging om de zaak in der minne op te lossen op niets uitliep heeft de heer T. van Brussel, hoofdredacteur, met een brief van 26 januari 1998 met 5 bijlagen op de klacht gereageerd.

 

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 februari 1998.
Klager verscheen in persoon en lichtte zijn standpunt toe onder overlegging van een pleitnotitie en kopieën van enkele artikelen uit het Leidsch Dagblad. Betrokkene had laten weten niet te zullen verschijnen.

 

 

 

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

 

Het Leidsch Dagblad publiceerde op 5 november 1997 onder de aanduiding 'opinie' een artikel van Maarten Keulemans over Leefbaar Oegstgeest, een plaatselijke politieke partij. Klager is fractievoorzitter van deze partij. In het artikel komt de volgende passage voor:

 

 

Wat vooral de aandacht trok was de politieke straatvechterij van fractievoorzitter Jan de Soeten, die met de aan hem toegeschreven scheldkanonnades in een huis-aan-huisblad eerder geloofwaardigheid inleverde dan bewondering afdwong.

 

 

Een naar aanleiding van dit stuk ingezonden brief van klager is, ondanks schriftelijke toezegging dat dit wel zou gebeuren, niet geplaatst.

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft bezwaar tegen het gebruik van het woord 'scheldkanonnades', dat volgens hem tendentieus is en in strijd met de waarheid. Ook klaagt hij over het feit dat zijn ingezonden brief niet is geplaatst, hoewel plaatsing schriftelijk was toegezegd.

 

Volgens betrokkene is het woord 'scheldkanonnades' gebaseerd op de toon en woordkeuze die de partij Leefbaar Oegstgeest regelmatig gebruikt in advertenties in de Oegstgeester Courant. Aangezien het hier een opiniestuk betrof stond het de redacteur vrij om de gebruikte kwalificaties samenvattend 'scheldkanonnades' te noemen, aldus betrokkene. De toezegging aan klager dat zijn brief geplaatst zou worden, berust volgens betrokkene op een vergissing.

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht de term 'scheldkanonnades' geen passende kwalificatie voor de uitingen van de partij Leefbaar Oegstgeest zoals die blijken uit publicaties in de Oegstgeester Courant. Hoewel het gebruik van dit woord mogelijk onaangenaam is voor klager is het echter niet kwetsend. Het is gebruikt in een als 'opinie' gepubliceerd stuk, zodat voor de lezer duidelijk kon zijn dat het hier niet om objectieve informatie ging, maar om de opvatting van de auteur. Deze omstandigheden in aanmerking nemend, kan niet worden gezegd dat de journalist door het enkele gebruik van de gewraakte term onzorgvuldig heeft gehandeld.

 

Klager heeft van betrokkene een schriftelijke toezegging ontvangen dat zijn ingezonden brief zou worden gepubliceerd. Hij mocht er op vertrouwen dat dit ook zou gebeuren, temeer daar in die brief niets te vinden is dat objectief beschouwd aanleiding zou kunnen geven om niet onverkort te publiceren. Dat betrokkene zijn toezegging niet is nagekomen acht de Raad wel onzorgvuldig.

 

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voorzover die betrekking heeft op het niet nakomen van de toezegging de ingezonden brief van klager te publiceren, en voor het overige ongegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Leidsch Dagblad te publiceren.

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 maart 1998 door mr J.B. Fleers, voorzitter, mr G. Dullens, mr A.J. Heerma van Voss, W.F. de Pagter en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

 

 

Uitspraak 1998-12