1998/11 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C.L. Geerts

tegen

B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool

Bij brief van 20 november 1997 met 4 bijlagen, heeft de heer C.L. Geerts te Wijdewormer (klager) een klacht ingediend tegen B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool (betrokkenen).
Hierop is door mr W.C. van Manen, advocaat, namens betrokkenen gereageerd in brieven van 8 januari 1998 met 2 bijlagen, gevolgd door brieven van 23 januari, 29 januari (waarbij een productie) en 26 februari 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 februari 1998.
Klager werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn media-adviseur, de heer H. Knoop. Betrokkenen hadden van tevoren laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Naar aanleiding van een onderzoek van de politie en de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst naar de Heineken-ontvoerders Van Hout en Holleeder, publiceerde Het Parool op 7 oktober 1997 een artikel van de hand van journalist Middelburg. In dat artikel werd bericht dat in het kader van genoemd onderzoek ook invallen waren gedaan bij bedrijven van klager ('Dikke Charles Geerts'), te weten R.J.J. Nijhuis Holding bv., Nijhuis Management bv. en Nijhuis Pensioen bv. Het artikel bevat de volgende passage:
Overigens is Nijhuis, een voormalige drogisterij, eigenaar van een skybox in de Amsterdamse Arena. Volgens bronnen bij Ajax zouden Van Hout en Holleeder met enige regelmaat te gast zijn in de skybox van Nijhuis.
Klager heeft betrokkenen om een rectificatie verzocht van deze passage, die volgens hem onjuist is. Op dat verzoek is niet gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager zijn Van Hout en Holleeder, die hij naar ter zitting is verklaard zegt niet te kennen, nooit in de betreffende skybox geweest. Klager vindt de passage beledigend en grievend. Hij verwijt de betrokken journalist het nalaten van hoor en wederhoor. Zeker nu Middelburg zich op anonieme bronnen baseerde, die niet verifieerbaar zijn, had hij klager om commentaar moeten vragen. Klager heeft ten gevolge van de publicatie schade geleden, in verband waarmee hij een civiele procedure tegen betrokkenen heeft aangespannen.
Ook het feit dat de hoofdredactie op een verzoek tot rectificatie niet heeft gereageerd acht klager onzorgvuldig.

Betrokkenen achten het onjuist dat zij in een klachtprocedure bij de Raad worden betrokken, terwijl er ook een eerder aangespannen civiele procedure aanhangig is. Dagvaarding en conclusie van antwoord in deze procedure zijn als producties overgelegd. Betrokkenen hebben de Raad verzocht van de behandeling van de klacht af te zien dan wel die uit te stellen. Zij menen bovendien dat niet van hen verlangd kan worden hun in rechte te voeren verweer tevoren via een procedure bij de raad ter kennis te brengen van hun tegenpartijen. Zij zijn daartoe niet bereid.
Blijkens de door hen overgelegde conclusie van antwoord stellen zij zich in de civiele procedure op het standpunt dat pogingen om de omstreden passage bij klager te verifiëren niet zinvol zouden zijn geweest.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het enkele feit dat er met betrekking tot de gewraakte passage ook een gerechtelijke procedure aanhangig is, staat aan een beoordeling door de Raad niet in de weg.
Ook hetgeen betrokkenen hebben aangevoerd rechtvaardigt niet de behandeling van de klacht achterwege te laten, dan wel aan te houden totdat in de civiele procedure is beslist.

Voorafgaand aan de gewraakte passage, bevat het artikel van 7 oktober 1997 de, ook volgens klager juiste, mededeling dat ook invallen zijn gedaan bij bedrijven van klager. Dit gebeurde in het kader van een opsporingsonderzoek naar een criminele organisatie waaraan leiding zou worden gegeven door Van Hout en mogelijk ook Holleeder (in het artikel tezamen aangeduid als de Heineken-ontvoerders). Deze mededeling duidt op een veronderstelde betrokkenheid van klager bij bedoelde organisatie.

Dat doet de vraag rijzen welk belang klager erbij heeft zich desondanks te verzetten tegen de op 'bronnen bij Ajax' berustende bewering dat Van Hout en Holleeder met enige regelmaat te gast zouden zijn in de skybox van Nijhuis in de Amsterdam Arena. Dat belang ligt in het feit dat die bewering, waarvan de juistheid of onjuistheid in deze procedure overigens niet is gebleken, een meer persoonlijke band suggereert tussen klager enerzijds en de beide genoemde Heineken-ontvoerders anderzijds. Deze mogelijke relatie versterkt de gedachte dat klager betrokken zou kunnen zijn bij de eerder bedoelde criminele organisatie. Bovendien werpt deze mogelijke relatie ook op zichzelf een zeer bedenkelijk licht op klager. Het grootscheepse onderzoek door politie en FIOD en de daarbij gedane wapenvondst bevestigen immers voorshands de criminele reputatie van de Heineken-ontvoerders.
Aldus bezien komt de gewraakte passage, naar ook betrokkene heeft moeten begrijpen, neer op een ernstige verdachtmaking aan het adres van klager. Tot publicatie daarvan had betrokkene niet mogen overgaan zonder wederhoor van klager c.q. een gerede poging daartoe. Betrokkene baseerde zich slechts op - naar in de overgelegde conclusie van antwoord wordt gesteld: twee - niet nader aangeduide of gekwalificeerde 'Ajax-bronnen'.
Blijkens de conclusie van antwoord stelt betrokkene zich op het standpunt dat toepassing van hoor en wederhoor niet zinvol zou zijn geweest, kennelijk omdat klager in procedures tegen Het Parool meer dan eens onwaarheden zou hebben verkondigd. Maar de enkele verwachting dat van de zijde van klager geen betrouwbare informatie te verwachten was, rechtvaardigt in dit geval niet het achterwege laten van hoor en wederhoor of een gerede poging daartoe. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet (alleen) gebaseerd op de behoefte tot waarheidsvinding van de journalist, maar evenzeer op de zorgvuldigheid die ook tegenover beschuldigden past. Door het ontbreken van een weerwoord wordt bovendien de lezer informatie onthouden, ook al is dit informatie waarvan de schrijver geheel afstand neemt.

Het uitblijven van een reactie op een schriftelijk verzoek van klager tot rectificatie acht de Raad niet dermate onzorgvuldig, dat daarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, hoewel het uiteraard beter ware geweest als de hoofdredactie de brief had beantwoord.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond, voorzover die betrekking heeft op het achterwege laten van hoor en wederhoor en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 maart 1998 door mr J.B. Fleers, voorzitter, mr G. Dullens, mr A.J. Heerma van Voss, W.F. de Pagter en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-11