1998/1 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Vluchtelingenwerk Delft

tegen

NRC Handelsblad

Bij brief van 10 september 1997 met twee bijlagen heeft de Stichting Vluchtelingenwerk Delft (klaagster) een klacht ingediend tegen NRC Handelsblad (betrokkene). De klacht is op 3 oktober 1997 aangevuld met een kopie van de statuten van klaagster. Op de klacht is bij brief van 6 oktober 1997 namens betrokkene gereageerd door plaatsvervangend hoofdredacteur J. van
der Vaart. Klaagster heeft vervolgens bij brief van 9 oktober 1997 een zevental krantenartikelen aan de Raad toegezonden en bij brief van 17 oktober 1997 verslag gedaan van een telefoongesprek van diezelfde datum met de heer Van Rijnswou, voorlichter van de politie te Delft.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 1997. Namens klaagster zijn verschenen mevrouw A. Nieuwhof, de heer A. Yahye en mevrouw H. Rienks. Namens betrokkenen verschenen de heer M. Kerres en mevrouw J. Mat.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene heeft op 7 augustus 1997 een artikel gepubliceerd over de opvang van jonge asielzoekers. Daarin is onder meer geschreven:

"(..) Over het verdere lot van de minderjarige asielzoekers is nog weinig bekend. In Delft werden vorig jaar drie leden van een grote Somalische jeugdbende gearresteerd.
(..) Er staan succesverhalen tegenover. (..)"
Klaagster heeft vervolgens een ingezonden brief aan betrokkene gezonden, waarin zij stelt dat de berichtgeving over een grote Somalische jeugdbende in Delft niet juist is.

Betrokkene heeft de ingezonden brief niet geplaatst, naar zij stelt omdat deze te uitgebreid en divers was. Wel heeft mevrouw Mat, de journalist die het artikel heeft geschreven, namens betrokkene contact opgenomen met klaagster. Zij heeft klaagster uitgelegd dat de opmerking over de jeugdbende gebaseerd was op een op 30 januari 1996 in NRC Handelsblad gepubliceerd
bericht, waarin was vermeld:

"De politie van Delft heeft gisteren drie jongens gearresteerd die deel zouden uitmaken van een groep van circa veertig criminele jongeren van voornamelijk Somalische afkomst.(..)".

Dit bericht was gebaseerd op een persbericht van januari 1996 van de politie te Delft.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de berichtgeving onjuist is, alsmede dat een kwetsbare groep ten onrechte wordt gecriminaliseerd en dat haar werkzaamheden voor deze groep hierdoor worden belemmerd.

Betrokkene wijst erop dat de opmerking in het artikel gebaseerd is op eerdere berichtgeving, waartegen destijds geen klacht is ingediend en welke gebaseerd was op een persbericht van de politie te Delft. Betrokkene meent dat zij daarop mocht afgaan. Zij betwist laakbaar te hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

De Raad overweegt dat het beter was geweest indien in de gewraakte berichtgeving was gesproken over "drie Somalische jongeren uit een grote jeugdbende" in plaats van "drie jongeren uit een grote Somalische jeugdbende". Betrokkene heeft de passage echter voor de publicatie van het artikel geverifiëerd aan de hand van eerdere berichtgeving, die weer gebaseerd was op een persbericht van de politie te Delft. Betrokkene mocht daarop in redelijkheid afgaan. Daarnaast heeft betrokkene naar aanleiding van de brief van klaagster met
laatstgenoemde contact gezocht om een en ander te bespreken.

Al met al heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad niet onjuist gehandeld, nog daargelaten dat klaagster niet heeft aangetoond dat zij door de berichtgeving daadwerkelijk in haar werkzaamheden is geschaad.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in NRC Handelsblad.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 januari 1998, door Prof. mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. B.A. Schmitz, K. Wiese en K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-1