1997/7 onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

O.T. Ramaker en M.M. Ramaker-van Katwijk

tegen

de N.C.R.V.

In een brief van 23 oktober 1996 hebben de heer O.T. Ramaker en mevrouw M.M. Ramaker-van Katwijk te Amerongen (klagers) een klacht ingediend tegen de Nederlandse Christelijke Radio Vereniging (betrokkene).
Hierop is door de heer H.J. Hemink, directeur Radio en Televisie NCRV, gereageerd in een brief van 20 november 1996.
De districtsmanager rivierpolitie van de Politie Rotterdam-Rijnmond heeft de Raad op 16 december 1996 een kopie gezonden van een, naar aanleiding van de klacht, aan de NCRV gezonden brief.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 januari 1997.
Namens klagers verscheen de heer Ramaker, bijgestaan door zijn advocaat, mr W.J.E. Hendriks. Klager legde een pleitnota over met 5 bijlagen. Namens betrokkene verschenen de heer G. van Dongen, eindredacteur, afdeling informatief TV, de heer H. Sleeuwenhoek, programma-manager informatief TV en de mr W.J. Rombach, juridische zaken AKN.
Tevens waren ter zitting aanwezig de heren H. Stoppelenburg, Rivierpolitie Rotterdam-Rijnmond en drs. J. Meyer, hoofd Communicatie politie Rotterdam-Rijnmond.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De NCRV heeft met de Politie Rotterdam-Rijnmond, district Rivierpolitie, een overeenkomst gesloten aangaande de verlening van medewerking door de politie aan de vervaardiging van een documentaire over het werk van de rivierpolitie in de regio Rotterdam-Rijnmond. Daarin is onder meer vastgelegd:
'Betrokkenen, zoals getuigen, slachtoffers danwel personen die anderszins met de rivierpolitie in aanraking komen, dienen door middel van een schriftelijke mededeling te worden geïnformeerd over het maken van de filmopnamen en over het programma waarin de opnamen worden uitgezonden'.
'Betrokkenen hebben het recht om bezwaar te maken tegen uitzending van de van hen gemaakte opnamen, voor zover zij daarbij op enigerlei wijze herkenbaar zullen zijn. Indien bezwaar wordt gemaakt of indien betrokkene niet kon worden geïnformeerd mogen de verkregen beelden niet worden uitgezonden, tenzij:
a. betrokkene in de gemaakte filmopnamen onherkenbaar is gemaakt, of
b. door betrokkene alsnog schriftelijk wordt verklaard tegen de uitzending van de gemaakt uit te zenden filmopnamen geen bezwaar te maken.
In het op 2 september 1996 uitgezonden NCRV-televisieprogramma 'Document: De Rivierpolitie' waren beelden te zien van de berging van het lichaam van een man op 19 maart 1996. Het betrof de sinds januari 1996 vermiste Gideon Ramaker, de zoon van klagers. Uitzending heeft plaatsgevonden zonder dat klagers daarover waren geïnformeerd en zonder hun toestemming. Na een briefwisseling tussen klagers advocaat en betrokkenen zijn de gewraakte passages uit het programma gehaald, alvorens de uitzending werd herhaald.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn zeer geschokt over het feit dat de gewraakte uitzending heeft plaatsgevonden zonder dat zij daarvan in kennis waren gesteld. Dit is naar de mening van klagers des te ernstiger nu de identiteit van het slachtoffer, althans voor klagers en voor anderen die hem goed hebben gekend, uit de getoonde beelden was op te maken. Mede door de omstandigheden rond de dood van hun zoon, die zelf een einde aan zijn leven maakte, heeft de uitzending grote emoties teweeggebracht bij familie, vrienden en bekenden. Aan de berging ging een lange zoekactie vooraf, die veel publiciteit kreeg. Volgens de door klagers van de politie verkregen gegevens was het de verantwoordelijkheid van betrokkenen om toestemming voor uitzending aan de nabestaanden te vragen.

Betrokkenen betreuren de gang van zaken en bieden verontschuldigingen daarvoor aan. Zij hebben de gewraakte beelden inmiddels vernietigd. Op het moment dat de beelden, vóór uitzending, aan de politie werden getoond, is door betrokkenen gevraagd naar de gegevens van de nabestaanden, zodat kon worden overgegaan tot informeren. Om privacyredenen wilde de politie die niet verstrekken. Er zou vervolgens zijn afgesproken dat de politie in dit geval de plicht tot informeren zou overnemen. Een dag vóór de uitzending is nog gesproken met de communicatiemedewerker van de Rivierpolitie, de heer Hameeteman, die betrokkenen zou hebben verzekerd dat hij opdracht had gegeven de familie te informeren en dat men er van uit kon gaan dat dat ook was gebeurd. Betrokkenen zijn nooit op de hoogte geweest van de identiteit van de man en/of zijn familie en ook niet van de omstandigheden rond het ongeval. Het is betrokkenen duidelijk geworden dat indien klagers wel vooraf door de politie op de hoogte zouden zijn gesteld, zij bezwaar zouden hebben gemaakt tegen uitzending. Betrokkenen zouden dan de betreffende beelden al voor de eerste uitzending uit het programma hebben gehaald, hoewel de met de politie gesloten overeenkomst daar strikt genomen niet toe noopte: daarin wordt met name gedoeld op het informeren van geportretteerden.

De ter zitting als toehoorders aanwezige vertegenwoordigers van de politie Rotterdam-Rijnmond verklaarden desgevraagd dat de politie nooit de plicht tot informeren van de nabestaanden op zich heeft genomen. De beelden zijn vóór uitzending, enkele maanden na de opnamen, aan de politie getoond. Toen is de informatieplicht met betrokkenen besproken en is de naam van de heer Van Campenhout genoemd, die vanuit de politie het contact met de familie had onderhouden. Aan betrokkenen zou zijn geadviseerd contact op te nemen met de heer Van Campenhout, die een intermediaire rol zou kunnen spelen. Toen kort voor de uitzending bleek dat de familie nog steeds niet was geïnformeerd is de naam van Van Campenhout nogmaals genoemd door de politie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Vast staat dat klagers niet zijn geïnformeerd over de voorgenomen uitzending. Ook staat vast dat betrokkenen niet tot uitzending zouden zijn overgegaan, als zij geweten hadden dat klagers daartegen ernstige bezwaren hadden.
Met de overeenkomst die tussen betrokkenen en de politie is gesloten, is getracht de mogelijke gevolgen die uitzending van het programma voor derden met zich mee zou kunnen brengen, zo goed mogelijk te regelen.
De Raad is met partijen van mening dat, ook los van de inhoud van de gesloten overeenkomst, in een geval als het onderhavige de nabestaanden over de voorgenomen uitzending hadden moeten worden geïnformeerd. De Raad constateert dat er een essentieel verschil van mening bestaat tussen betrokkenen en de politie over de na de opnamen gemaakte afspraken ten aanzien van het informeren van de nabestaanden.
Betrokkenen stellen dat zij afhankelijk waren van de politie voor het verkrijgen van gegevens over de nabestaanden en dat zij er alles aan hebben gedaan om zich ervan te vergewissen dat de informatie de familie tijdig had bereikt. Op basis van een mededeling dat een en ander was geregeld, is tot uitzending besloten.
De politie stelt daarentegen dat zij enkel heeft aangeboden als intermediair te fungeren, maar dat betrokkenen daar geen gebruik van hebben gemaakt. Op geen enkel moment zou zijn toegezegd dat de politie de informatieplicht zou overnemen en dat ook daadwerkelijk tot informeren was overgegaan. De korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond heeft dit in een ambtsbericht aan de minister van Binnenlandse Zaken bevestigd.

De Raad kan op basis van de stukken en de mededelingen ter zitting niet onomstotelijk vaststellen wat er zich tussen opname en uitzending nu feitelijk heeft afgespeeld en welke afspraken er tussen betrokkenen en politie zijn gemaakt over het informeren van klagers. De Raad is daarom niet in staat een oordeel te geven over de gegrondheid van de klacht.

BESLISSING:

De Raad onthoudt zich van een oordeel over de klacht.

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 maart door mr. P.J. Boukema, voorzitter,
W.H.K. Ammerlaan, mr. A.J. Heerma van Voss, mr. E.C.M. Jurgens en M.J. Kes, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 7.