1997/6 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

E. Timmermans

tegen

J. Penris en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger

In een brief van 22 oktober 1996, met 2 bijlagen, heeft de heer E. Timmermans te Maasbree (klager) een klacht ingediend tegen de journalist J. Penris en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (betrokkenen).
Hierop is door de heer Penris gereageerd in een brief van 20 november 1996 met 2 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 januari 1997. Partijen hebben laten weten van de gelegenheid om hun standpunt mondeling toe te lichten geen gebruik te zullen maken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager is lid van de vereniging Schutterij Sint Anna te Maasbree. Op 2 oktober 1996 verscheen in Dagblad De Limburger een artikel over de schorsing en het op handen zijnde royement van enkele leden van de schutterij. In het artikel wordt nader ingegaan op de gebeurtenissen die vooraf gingen aan de schorsing. Na afloop van het Oud Limburgs Schuttersfeest, dat op 7 juli 1996 in Bocholt plaatsvond, zou er ruzie zijn ontstaan tussen enkele leden van de schutterij Sint Anna over het tijdstip waarop de leden met de bus naar huis zouden terugkeren. De volgende passage had betrekking op klager:
Even later ging het mis in de bus. Joppen trok Van Soest aan de haren, Eric Timmermans gaf de commandant een klap, waarop Hay Bouten op zijn beurt Timmermans sloeg.
Klager heeft aan betrokkenen geschreven dat dit een onjuiste weergave van de gebeurtenissen is, aangezien hij niemand had geslagen. Op 7 oktober 1996 is in een artikel in Dagblad De Limburger uiteen gezet dat er twee lezingen over de gebeurtenissen zijn, die beide door getuigen worden bevestigd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager is de bewering in het artikel, dat hij de commandant een klap heeft gegeven, onjuist. Verschillende getuigen zouden dat kunnen bevestigen. De journalist heeft nagelaten zijn beweringen te verifiëren. Klager stelt dat zijn goede naam ernstig is geschaad ten gevolge van de publicatie. Zijn verzoek tot rectificatie zou door betrokkenen zijn geweigerd.

Betrokkenen geven aan dat de lezing van het gebeurde is gebaseerd op een briefwisseling tussen het bestuur van de schutterij en de leden voor wie een royement dreigt. Het verhaal zou bovendien zijn bevestigd door diverse getuigen, anderen dan het bestuur en genoemde leden. Betrokkenen zijn van mening dat zij met de publicatie op 7 oktober de visie van klager correct hebben weergegeven en dat zijn weerwoord daarmee meer tot zijn recht komt dan in een rectificatie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt vast dat er sprake is van tegenstrijdige verklaringen over de gebeurtenissen in Bocholt, terwijl voor beide lezingen getuigen te vinden zijn. Of de versie in het eerste artikel van 2 oktober 1996 onjuist is valt door de Raad dan ook niet vast te stellen. In het artikel van 7 oktober 1996 wordt de tegenstrijdigheid in de verklaringen tot uitdrukking gebracht. De Raad is van oordeel dat in dit geval geen grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 maart 1997 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. A.J. Heerma van Voss, mr. E.C.M. Jurgens en M.J. Kes, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 6.