1997/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

E.H. van Veeren

tegen

P. Storms (Breekijzer)

Bij brief van 7 oktober 1996, met 8 bijlagen, heeft mr K.Th.M. Stöpetie, advocaat, namens de heer E.H. van Veeren te Kerkwijk (klager) een klacht ingediend tegen P. Storms, presentator en redacteur van het televisieprogramma Breekijzer (betrokkene).
Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 12 november 1996 met 1 bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 januari 1997. Namens klager verscheen mr Stöpetie. Betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager is medisch adviseur van een verzekeringsmaatschappij. In die hoedanigheid was hij betrokken bij de beoordeling van een schadeclaim van de heer Eichenwald. Laatstgenoemde stelde een ziekenhuis aansprakelijk voor functieverlies aan zijn been, dat veroorzaakt zou zijn door een foutieve medische ingreep. De aansprakelijkheidsverzekeraar schakelde klager in, die nader specialistisch onderzoek naar de oorzaak van het functieverlies adviseerde. In afwachting daarvan werd aan de heer Eichenwald een voorschot op schadevergoeding betaald. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek deelde de verzekeraar bij brief van 18 juni 1996 aan de heer Eichenwald mee geen aanvullende schadevergoeding te zullen betalen.
Betrokkene heeft deze kwestie tot onderwerp van zijn programma Breekijzer gemaakt. Op 26 augustus 1996 bracht betrokkene klager een onaangekondigd bezoek, vergezeld door de heer Eichenwald en drie personen met draaiende camera en geluidsapparatuur. Er werden opnamen gemaakt van het woonerf en de kantoorwoning van klager. Klager heeft betrokkene te woord gestaan, waarbij betrokkene zich voorstelde met 'De naam is Storms, Pieter Storms, programma Breekijzer'. Vervolgens is kort over de kwestie gesproken en heeft klager aangegeven dat hij eerst het dossier wilde inzien. Hij heeft betrokkene gevraagd een uur later terug te komen. Bij terugkomst heeft in de woning van klager een gesprek plaatsgevonden en heeft klager de gang van zaken toegelicht. Daarbij heeft klager onder meer gezegd:'Ik wil niet medisch-inhoudelijk met u discussiëren en al zeker niet voor een opname'. Later die dag heeft klager aan de heer Eichenwald laten weten dat hij pas na diens vertrek vernam dat 'Breekijzer' de naam van een televisieprogramma was. Hij heeft tevens voorwaarden gesteld aan uitzending van de beelden.

Vervolgens hebben partijen via hun raadslieden gecorrespondeerd en heeft betrokkene de tekst van de 'voice over' bij de beelden aangepast. Klager heeft in kort geding een verbod tot uitzending van de opnamen van zijn huis en erf en van de gesprekken gevorderd. Zijn vordering is afgewezen. Uitzending heeft op 19 september 1996 plaatsgevonden door de omroeporganisatie SBS 6.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt ten gevolge van de handelwijze van betrokkene in zijn integriteit te zijn aangetast. Betrokkene heeft volgens klager nagelaten voldoende duidelijk te maken wat zijn bedoelingen waren. Klager zag het als zijn plicht, op grond van de beroepscode voor geneeskundig adviseurs, betrokkene in diens positie van belangenbehartiger van de heer Eichenwald te woord te staan. Hij zegt niet te hebben geweten wie betrokkene was. Ook kende hij het programma 'Breekijzer' niet. Hij meende dat de gesprekken ten behoeve van de heer Eichenwald werden opgenomen, een methode die hij in zijn eigen praktijk ook vaak toepast. Toen hij van derden over het programma 'Breekijzer' vernam, heeft hij onmiddellijk zijn bezwaren tegen uitzending kenbaar gemaakt. Aan een programma waarbij personenleed als vorm van entertainment wordt gebracht, wenst hij niet mee te werken. Toestemming dient te worden verkregen op basis van een voor de betrokkene duidelijke uiteenzetting omtrent aard en doel van het maken van opnamen van hem, aldus klager. Als geportretteerde heeft hij er belang bij te weten waar de opnamen voor gebruikt gaan worden. Hij verwijst ter ondersteuning van zijn standpunt naar de uitspraak van de Raad van 20 augustus 1996 (J 96/16) inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur en naar een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 november 1996 over het televisieprogramma Bedgeheimen (Mediaforum 1997-1).

Betrokkene verwijst voor zijn reactie op de klacht slechts naar het vonnis van de president van de rechtbank te Amsterdam van 19 september 1996. Uit de stukken maakt de Raad op, dat betrokkene van mening is dat klager toestemming heeft verleend voor opname van het interview met hem en er voor hem geen in rechte te respecteren grond bestaat om in een later stadium daarop terug te komen. Als er al een belangenafweging zou moeten plaatsvinden, dan dient die volgens betrokkene in het voordeel van de vrijheid van meningsuiting uit te vallen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel en heeft al eerder uitgesproken dat zogenaamde overvaljournalistiek, het zonder toestemming benaderen van mensen met lopende camera, met als inzet de gewraakte opname uit te zenden, alleen mag worden gebruikt wanneer dat nodig is om in het algemeen belang ernstige misstanden aan het licht te brengen en wanneer daarvoor geen ander middel openstaat (WZHO/Storms, J 95/14).
In het onderhavige geval heeft klager, mede getuige zijn bereidheid om betrokkene na de eerste confrontatie alsnog een uur later met zijn cameraploeg te ontvangen, klaarblijkelijk ingestemd met opname. Weliswaar verkeerde klager naar zijn zeggen in onwetendheid over bedoeling en formule van het programma, maar door niet nader daarnaar te informeren heeft klager het risico aanvaard dat de opnamen aan een algemeen publiek bekend zouden worden gemaakt.

De uitzending van de opnamen acht de Raad toelaatbaar, nu daarmee aan de integriteit van klager niets wordt afgedaan. Klager heeft niet zozeer bezwaren tegen de wijze waarop hij in beeld wordt gebracht, maar wel tegen de context, in het bijzonder de formule van het programma 'Breekijzer'. De Raad is van mening dat klager niet zodanig in zijn belang om zijn persoonlijke levenssfeer te beschermen is getroffen, dat uitzending achterwege had moeten blijven.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting bekend te maken in een van de uitzendingen van Breekijzer.

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 maart 1997 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. A.J. Heerma van Voss, mr. E.C.M. Jurgens en M.J. Kes, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 5.