1997/46 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Boogaard

tegen

de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander

In een brief van 10 maart 1997, met 1 bijlage, heeft de heer J. Boogaard te Weesp (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad de Gooi- en Eemlander (betrokkene).
Hierop is door J.H. van Zenderen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 16 april 1997 met 9 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 mei 1997.
Klager verscheen in persoon. Betrokkene is niet verschenen.
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager is beleidsmedewerker bij de sociale werkvoorziening Tomingroep te Hilversum, alwaar hij verantwoordelijk is voor het ambtelijk secretariaat. De organisatie van ondernemingsraadverkiezingen behoort tot zijn taken.
Naar aanleiding van de OR-verkiezingen bij Tomingroep van eind februari 1997 berichtte de Gooi- en Eemlander op 8 maart 1997 dat deze verkiezingen, ten gevolge van gedragingen van klager, door de verkiezingscommissie ongeldig waren verklaard. Klager zou een medewerker hebben toegestaan een dag na de verkiezingen alsnog zijn stem uit te brengen en hij zou enkele medewerkers geadviseerd hebben vooral niet te stemmen op leden van de vakbond CFO.
Klager wordt in het artikel met naam en functie aangeduid. Ook wordt vermeld dat hij 'de rechterhand' en 'ogen en oren' van de algemeen directeur wordt genoemd. De directeur, die om commentaar werd gevraagd, heeft volgens het artikel opdracht gegeven de klacht tegen zijn ambtelijk secretaris te laten onderzoeken door een extern juridisch deskundige.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen de vermelding van zijn volledige naam en functie in het artikel, in samenhang met de jegens hem geuite beschuldigingen. Tevens verwijt hij betrokkene dat deze ten aanzien van hem heeft nagelaten wederhoor toe te passen. Klager stelt door middel van antwoordapparaat en mobiele telefoon heel goed bereikbaar te zijn.

Indien men hem had benaderd voor een reactie zou hij uitgelegd hebben dat zijn 'stemadvies' volstrekt niet serieus bedoeld was en ook niet zo kon worden opgevat, mede gezien de personen tegen wie hij zijn uitlatingen deed, zoals de lijsttrekker van de ABVA/KABO. Bovendien was het de beslissing van de voorzitter van de verkiezingscommissie en niet van hem om een medewerker in de gelegenheid te stellen een dag na de verkiezingen zijn stem uit te brengen. Het externe onderzoek is inmiddels afgerond met een een ten aanzien van hem gunstige conclusie, aldus klager.

Betrokkene is van mening dat er een 'solide basis' was voor de gewraakte berichtgeving, te weten brieven en verklaringen van medewerkers, van de verkiezingscommissie en van de directeur. De directeur is, als woordvoerder en verantwoordelijk bestuurder van de Tomingroep om commentaar gevraagd. Klager was volgens betrokkene niet bereikbaar.
Gezien de functie en de rol van klager en de beschuldigingen aan zijn adres was het volgens betrokkene onvermijdelijk hem met naam en toenaam in het artikel te vermelden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht heeft betrekking op de publicatie van verdenkingen jegens klager, waarbij het beginsel van hoor en wederhoor niet zou zijn gerespecteerd en waarbij zijn volledige naam is genoemd.

De Raad is er niet van overtuigd dat er van de zijde van betrokkene voldoende pogingen zijn geweest om klager persoonlijk te horen. Nu echter de directeur van de onderneming om commentaar is gevraagd en dit commentaar in de verslaglegging is opgenomen, kan niet gezegd worden dat er van laakbaar gedrag sprake is.
Ten aanzien van de vermelding van de naam van klager, overweegt de Raad dat het in het kader van de onderhavige berichtgeving essentieel was te weten om welke functionaris het ging. Met de vermelding van de naam en functie van klager zijn dan ook geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Gooi- en Eemlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 16 juni 1997 door mr P.J. Boukema, voorzitter,
H. van Gessel, A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1997-46