1997/44 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

W.A. Strijland

tegen

de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Bij brieven van 18 en 20 augustus 1997 met 4 bijlagen, heeft de heer W.A. Strijland te Norg (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (betrokkene). Hierop is door de heer F.E. Jensma, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 25 september 1997.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 november 1997 in het bijzijn van beide partijen. Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

NRC Handelsblad publiceerde op zaterdag 9 augustus 1997 een bericht over het ontslag van vier spelers van de voetbalclub Telstar wegens 'wangedrag' en 'misdragingen'. De spelers hadden tijdens een trainingskamp in Norg gemeenschap gehad met een vijftienjarig meisje. In een vervolgbericht op de derde pagina is, onder de mededeling dat in Norg de meningen over het voorval uiteen lopen, de reactie van enkele dorpsbe- woners opgenomen. Daarin komt de volgende passage voor: Beheerder W. Strijland van camping Langelo├źrduinen vindt dat de zaak niet moet worden opgeblazen. "Was dit op een zomerkamp gebeurd of op een feestje, dan praatte niemand er over. Maar omdat deze mensen toevallig 'in the picture' staan. hoor je het.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager wordt in het artikel ten onrechte gesuggereerd dat hij het gedrag van de betrokken voetballers normaal zou vinden en/of zou goedkeuren. Klager heeft aan de verslaggever desgevraagd laten weten geen mening over de zaak zelf te hebben omdat hij er onvoldoende van wist. Hij wist op dat moment zelfs nog niet dat het om een 15-jarig meisje ging. Klager heeft tegenover de verslaggever zijn verbazing uitgesproken over het feit dat een krant als NRC Handelsblad zoveel aandacht aan een zaak als deze besteedde. In dat verband moet het citaat worden gelezen. Door de wijze waarop het in de krant is gekomen, afgezet tegen andere meningen, wordt er ten onrechte gesuggereerd dat hij het allemaal zo erg niet vindt. Hij is nadien meerdere malen daarop aangesproken. Klager voelt zich daardoor in zijn eer en goede naam aangetast. Hij heeft onmiddellijk contact gezocht met betrokkene en om een reactie gevraagd. De late reactie van betrokkene acht hij onbevredigend.

Betrokkene stelt allereerst dat de verslaggever zich als zodanig bij klager heeft geïntroduceerd zodat deze wist dat zijn opmerkingen gepubliceerd zouden kunnen worden. Betrokkene wijst erop dat in dezelfde periode ook een andere affaire speelde rond een bekende voetballer, die verdacht werd van verkrachting. De bekendheid van de voetballers was daarom een voor het verhaal relevant gegeven. Het gewraakte citaat functioneerde in de reportage als een relativering van de commotie rond het voorval. Hoewel de tekst ruimte geeft voor de interpretatie die klager er aan geeft is die door betrokkene nooit zo bedoeld. Betrokkene excuseert zich voor zijn late reactie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Aannemelijk is dat noch klager noch betrokkene heeft willen zeggen dat, zoals in de aangehaalde passage zou kunnen worden gelezen, klager het allemaal niet zo erg vond. Bij het samenstellen van het artikel, waarin niet tot uitdrukking werd gebracht dat klager zijn opmerking maakte in het kader van een discussie over de rol van de pers, had betrokkene zich meer dienen te verplaatsten in de perceptie van de lezer. Ook bij heroverweging van de tekst ter redactie is dat, ondanks de beladenheid van het onderwerp, kennelijk in onvoldoende mate gebeurd. De gekozen formulering sluit niet uit dat klager de zaak begatelliseerde. De Raad acht deze handelwijze minder zorgvuldig, maar niet zo onzorgvuldig dat daarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 december 1997 door mr J.B. Fleers, voorzitter, mr D.T. Dalmolen, mr E.C.M. Jurgens en J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 44