1997/41 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

G. Cliteur/Stichting Mini-Theater

tegen

de hoofdredacteur van Haarlems Dagblad

Bij brief van 5 juni 1997 met 1 bijlage, heeft G. Cliteur, voorzitter van Stichting Mini-Theater te Haarlem (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Haarlems Dagblad (betrokkene). Hierop is door L. Klein Schiphorst, namens de hoofdredactie, gereageerd in een brief van 16 juli 1997.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 oktober 1997. Klager verscheen in persoon. Betrokkene had de Raad laten weten niet te zullen verschijnen. Door klager is ter zitting een productie overgelegd, waarop betrokkene bij brief van 11 november 1997 heeft gereageerd.

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager exploiteert een theater, modellenbureau en boekwinkel in Haarlem. De activiteiten van deze ondernemingen vinden aan hetzelfde adres plaats, onder de namen 'Mini-Theater Eigen Producties', 'Stichting Mini-Theater', Mini-Theater Modellenbureau' en 'Internationale Boekhandel Willa Reinke BV'. Haarlems Dagblad heeft op 31 mei 1997, in het Zaterdags Bijvoegsel, een artikel gepubliceerd met de kop 'Bloot op de bühne van een boekhandel' en de sub-kop 'De omstreden fascinatie van Gerard Cliteur'. Het bijschrift naast een foto van het mini-theater/boekwinkel luidt als volgt: Er gebeurt van alles achter de gevel van het pand Gierstraat 64 in de Haarlemse binnenstad. Gerard Cliteur bestiert in de winkel overdag een boekhandel en 's avonds een mini-theater en modellenbureau. Een ongebruikelijke combinatie. De Haarlemse zedenpolitie had, na klachten van verontruste ouders, vooral belangstelling voor de fotosessies met jonge meisjes. Maar alle naspeuringen zijn vooralsnog op niets uitgelopen. Ook redacteur Allard Besse ging op onderzoek uit. Hij ontmoette 'slachtoffers' en sprak indringend met de initiatiefnemer. Voor hem zit er een luchtje aan de zaak, maar Gerard Cliteur noemt onze verslaggever een calvinist. Het artikel beschrijft de activiteiten van het modellenbureau en het mini-theater. De journalist doet verslag van een auditie in het theater die hij bijwoonde en van gesprekken die hij had met klager en met enkele acteurs die ooit auditie deden.

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager vindt het artikel tendentieus en voelt zich in zijn eer en goede naam aangetast. Door insinuaties en onjuiste citaten en interpretaties wordt volgens klager een verkeerd beeld van hem geschetst. In een door hem opgestelde en ter zitting overgelegde lijst geeft klager een opsomming hiervan.

Het onderzoek van de journalist is gebaseerd op een oud politiedossier, mededelingen van twee of drie tienermeisjes en hun moeders en van een ex-medewerkster. De artiesten en modellen die aan de modellenshows en theaterproducties meewerken zijn niet in het onderzoek betrokken. Volgens klager zijn de uitlatingen die hij tijdens het interview deed op een zodanige manier in het artikel verwerkt, dat daarmee het vooroordeel van de journalist wordt bevestigd. Hij is niet in de gelegenheid gesteld het stuk voorafgaand aan publicatie te lezen en te corrigeren.

Betrokkene geeft aan dat de journalist naar aanleiding van klachten over de audities van acteurs en een onderzoek van de Haarlemse zedenpolitie een kritisch artikel heeft geschreven. De journalist heeft niet alleen met kandidaat-modellen en -artiesten gesproken maar ook met klager zelf. Betrokkene zegt te beschikken over andere voor klager belastende gegevens, die niet in de publiciteit zijn gebracht. Klager kan betrokkene niet verwijten ruchtbaarheid te hebben gegeven aan het feit dat personen zich door hem benadeeld voelen.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gewraakte artikel is geschreven vanuit de wetenschap dat door de zedenpolitie onderzoek is gedaan naar de activiteiten die klager voor het mini-theater en het modellenbureau ontplooit. De journalist heeft aan de hand van een bezoek aan een auditie en van gesprekken met klager en enkele betrokken meisjes getracht inzicht te verkrijgen in de gang van zaken bij de theater-audities en modellenshows. Een en ander heeft geresulteerd in een kritisch artikel. Hoewel klager van mening is dat het artikel tendentieus is heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat in het artikel feiten zijn verdraaid, dan wel essentiële onjuistheden zijn opgenomen. Het stond de journalist overigens vrij om zijn artikel voorafgaand aan publicatie al dan niet aan klager te laten lezen, nu daarover geen afspraken waren gemaakt.

 

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Haarlems Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 17 december 1997 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr J.B. Fleers, W.F. de Pagter, A.G. Scherphuis en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

 

RvdJ 1997, 41