1997/4 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Koopman

tegen

Hoofdredacteur Stellingwerf

In een brief van 3 oktober 1996 met 1 bijlage, gevolgd door een brief van 14 oktober 1996 met 2 bijlagen heeft de heer J. Koopman te Oldeholtpade (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het nieuwsblad Stellingwerf (betrokkene).
Hierop is door de heer J. van Dalen, hoofdredacteur, gereageerd in brieven van 11 oktober 1996 met 4 bijlagen en van 18 oktober 1996 met 1 bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 december 1996.
Klager verscheen in persoon. Betrokkene had laten weten geen gebruik te zullen maken van de gelegenheid zijn standpunt nader toe te lichten.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In het nieuwsblad Stellingwerf werd op 2 oktober 1996 verslag gedaan van een openbare zitting bij de kantonrechter, waarin de vordering van klager tegen zijn voormalige werkgever, gebaseerd op onrechtmatig ontslag, werd behandeld. In het artikel worden naam, voornaam en woonplaats van klager genoemd, evenals de feiten die voor de werkgever, een drukkerij, de reden voor het ontslag vormden.
Vermeld wordt dat klager zich volgens de werkgever schuldig had gemaakt aan verduistering van DTP-apparatuur, door zonder medeweten van zijn baas en ten behoeve van zichzelf een diskdrive en een printer dubbel te bestellen. Voorts wordt een incident dat de werkgever bij de kantonrechter aanhaalde en dat door hem 'uiterst dubieus', 'schokkend' en 'verbijsterend' werd genoemd, beschreven: klager zou in de avond op kantoor zijn aangetroffen in gezelschap van twee dames. De werkgever zou de indruk hebben dat er mogelijk iets 'pikants' aan de hand was. Tenslotte zou klager volgens de werkgever bij zijn sollicitatie zijn schulden hebben verzwegen.
Ook van het verweer van klager, die commercieel manager was bij het bedrijf, wordt verslag gedaan: de werkgever zou geweten hebben dat er dubbele apparatuur was besteld, zodat klager van huis uit met het bedrijf kon communiceren. De dames waarmee klager het kantoor had bezocht waren potentiële klanten, die hij een rondleiding had gegeven. Klager zou, ter verduidelijking van zijn belang bij toewijzing van de vordering, hebben aangegeven dat hij geen eigen inkomsten meer had.
In de Opregte Steenwijker Courant, net als de Stellingwerf een uitgave van Koninklijke Boom Pers, werd op 11 oktober 1996 verslag gedaan van de voor klager gunstige afloop van de kantongerechtsprocedure. In dit artikel wordt klager met initialen aangeduid. De Stellingwerf publiceerde op 16 oktober 1996 over de afloop van de procedure, met vermelding van de volledige naam van klager.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager staan er onjuistheden in het bericht, die betrekking hebben op de feitelijke gang van zaken rond het ontslag. De gebeurtenissen, die aan het ontslag ten grondslag lagen, zijn volgens klager door de journalist niet juist weergegeven.
Klager maakt daarnaast bezwaar tegen de vermelding van zijn volledige naam en woonplaats in het artikel van 2 oktober 1996. Hij woont in een dorp van zo'n duizend inwoners, waarin iedereen elkaar kent. Het effect van de publicatie, waarin ernstige beschuldigingen staan, is in deze kleine gemeenschap erg groot. Zijn moeder en zijn echtgenote hebben na de publicatie anonieme telefoontjes ontvangen en zijn oudste zoon werd er op de sportclub op aangesproken. Een zakenrelatie verbrak het contact, dat overigens na de uitspraak van de rechter weer hersteld werd.

Betrokkene ontkent dat er sprake is van onjuistheden. Het verslag bevat een weergave van de gebeurtenissen die aan het ontslag ten grondslag lagen, zoals die ter zitting bij de kantonrechter door de werkgever en namens klager zijn gepresenteerd. De vermelding van naam en toenaam van partijen bij een openbare civielrechtelijke procedure is bij de redactie gebruikelijk. Voor een afwijkende redactionele benadering was voor betrokkene in dit geval geen aanleiding.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht wordt door de Raad opgevat als te zijn gericht tegen
1. de vermelding van feitelijke onjuistheden en
2. de vermelding van naam en woonplaats van klager.

Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht overweegt de Raad als volgt:
In het gewraakte artikel wordt verslag gedaan van de gang van zaken bij de kantonrechter. De Raad is van oordeel, dat de journalist in zijn formulering duidelijker tot uitdrukking had kunnen brengen dat het verslag een presentatie is van de stellingname van elk der partijen en geen weergave van de feiten die zich voorafgaand aan het ontslag hebben voorgedaan. Onjuistheden heeft de Raad echter niet kunnen constateren. Dat de door de werkgever gepresenteerde, aan het ontslag ten grondslag liggende gebeurtenissen volgens klager niet hebben plaatsgevonden doet daaraan niets af. Op dit onderdeel acht de Raad de klacht dan ook ongegrond.

Over het tweede onderdeel van de klacht overweegt de Raad dat bij de verslaglegging van rechtszaken in het algemeen geen bezwaar bestaat tegen de vermelding van de namen van partijen in een civielrechtelijke procedure, tenzij er bijzondere redenen zijn om een uitzondering te maken.
In dit concrete geval is er naar het oordeel van de Raad sprake van dergelijke bijzondere redenen. Aan klager werd ontslag op staande voet aangezegd op grond van beschuldigingen van verduistering, verzwijging van schulden en schending van geheimhoudingsplicht en bovendien werd gesuggereerd dat klager zich met onoorbare activiteiten had ingelaten. Het valt te voorzien dat bekendmaking van deze omstandigheden, met vermelding van de naam en woonplaats van de persoon die het betreft, zeker in een kleine gemeenschap als waarin klager woonachtig is schadelijk kan zijn, zowel privé als in zakelijk opzicht. Met vermelding van naam en woonplaats van klager zijn naar het oordeel van de Raad de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond, voor zover die betrekking heeft op de vermelding van de naam en woonplaats van klager en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het nieuwsblad Stellingwerf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 januari 1997 door mr P.J. Boukema, voorzitter,
mr. G. Dullens, J.A. Koerts, A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1997, 4.