1997/38 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A. Jellema

tegen

N. Hylkema en de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

Bij brief van 27 juni 1997 met 3 bijlagen, heeft mevrouw A. Jellema te Dongjum (klaagster) een klacht ingediend tegen journalist N. Hylkema en tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (betrokkenen). Hierop is door drs P. Sijpersma, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 4 juli 1997.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 oktober 1997. Klaagster verscheen in persoon. Namens betrokkenen verscheen de heer Hylkema.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 2 juni 1997 publiceerde de Leeuwarder Courant een verslag van journalist Hylkema over een zitting bij de rechtbank op 13 mei 1997, waar klaagster terechtstond. Nadat zij in 1993 was gescheiden van haar echtgenoot heeft klaagster een aantal nare ervaringen gehad, die uiteindelijk in juli 1996 tot een emotionele uitbarsting leidden, door klaagster als 'psychose' aangeduid. De journalist heeft de achtergronden van de daad waarvoor klaagster terechtstond uitgebreid geschetst. Zij wordt in het bericht aangeduid als 'Jeltje de Vries'. De volgende passages zijn voor de beoordeling van de klacht van belang:
- ... haar kinderen willen niets meer met haar te maken hebben.
- Na negen maanden had ze een forse huurschuld.
- Er was een flink aantal agenten aan te pas gekomen om de buiten haar zinnen verkerende vrouw te knevelen en haar over te brengen naar het psychiatrisch ziekenhuis te Franeker.
De psychiatrische rapportage over klaagster wordt samengevat met: Zij is manischpsychotisch in een heel ernstige vorm. Het volgende citaat wordt aan klaagster toegeschreven: "Het is net of er een geest in mijn geest gevaren was." En verder: Tegen haar collega's heeft ze gezegd onmiddellijk in te grijpen als ze raar doet en niet meer aanspreekbaar is. Maar ze moeten wel waarschuwen als er een arts komt. Want daarvan kan Jeltje flink schrikken. "Neem mij tegen mezelf in bescherming", roept ze haast uit. Het artikel eindigt met een beschrijving van klaagster, als ze de rechtszaal verlaat: Ze hinkt licht. Dat dankt ze waarschijnlijk aan de doorgesneden achillespees, die ze opliep bij het inschoppen van de ruiten op de dag die ze zo snel mogelijk wil vergeten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster is van mening dat zij, hoewel haar werkelijke naam niet is genoemd, zeer herkenbaar is beschreven. Vooral de passage waarin wordt gezegd dat zij hinkt, leidt tot herkenbaarheid. Zij woont in een klein dorp, waar zij nog dagelijks de gevolgen van de publicatie zegt te ondervinden. Met name de onjuiste bestempeling van klaagster als 'manisch-psychotisch in een heel ernstige vorm' heeft er toe geleid dat zij in haar woonplaats wordt gemeden en kinderen bij haar worden weggehouden.
Klaagster wijst daarnaast op een aantal onjuistheden in het bericht:
- twee van haar kinderen ziet zij niet meer, maar met haar zoon heeft zij een heel goed contact;
- ze heeft nooit een huurschuld gehad en tijdens de rechtszitting is daar ook niet over gesproken;
- zij is door slechts één agent aangehouden en naar een algemeen ziekenhuis gebracht;
- zij is niet manisch-psychotisch in een heel ernstige vorm en dat er een geest in haar geest is gevaren heeft zij nooit gezegd;
- met haar collega's heeft zij slechts oppervlakkig contact en de zinnen uit het verslag heeft zij nooit uitgesproken.
Klaagster heeft naar aanleiding van de publicatie uitvoerig contact gehad met betrokkenen, hetgeen niet tot een voor haar bevredigende afhandeling heeft geleid.

Volgens betrokkenen was het de bedoeling om met het artikel begrip te vragen voor klaagster. Zij ontkennen dat sprake is van onwaarheden. Vrijwel alle genoemde feiten zijn tijdens de rechtszitting ter sprake gekomen en door de journalist correct weergegeven. De zinsnede dat haar kinderen niets meer met klaagster te maken willen hebben is, aangezien dit niet geldt voor haar zoon, slechts gedeeltelijk juist. Betrokkenen hebben gepoogd om herkenbaarheid van klaagster te voorkomen door in het artikel haar naam te wijzigen. Zij wijzen erop dat de inwoners van het dorp waar klaagster woont al op de hoogte waren van de gebeurtenissen op de bewuste dag in juli 1996. Aan die kennis kan het krantenartikel nauwelijks hebben bijgedragen. Het is daarom Volga's betrokkenen zeer de vraag of de reacties uit haar omgeving het gevolg zijn van de gewraakte publicatie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het algemeen geldt dat de herkenbaarheid van verdachten van een strafbaar feit zoveel mogelijk moet worden beperkt. De Raad acht het aannemelijk dat het in het dorp waar klaagster woont - ondanks de wijziging van haar naam - duidelijk was wie in de gewraakte publicatie bedoeld werd met Jeltje de Vries. Mogelijk was herkenbaarheid van klaagster, ook met een beter gekozen pseudoniem, zelfs niet te vermijden. Onder die omstandigheden acht de Raad de in het artikel vermelde gegevens uit het psychiatrisch dossier, te weten 'manisch psychotisch in een heel ernstige vorm' dermate persoonlijk en gevoelig dat publicatie ervan achterwege had moeten blijven. De Raad kan op basis van de stukken niet beoordelen of de medische diagnose die de journalist heeft vermeld correct is, maar acht dit in de specifieke situatie van klaagster ook niet relevant. De Raad acht het aannemelijk dat het stempel dat met de weergegeven diagnose gepaard gaat, heeft bijgedragen aan het sociaal isolement waarin klaagster zegt terecht te zijn gekomen en dat zij derhalve onevenredig nadeel ondervindt of heeft ondervonden van haar herkenbaarheid in de gewraakte publicatie. De Raad heeft voor het overige niet kunnen vaststellen dat er essentiële onjuistheden in het artikel staan.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond voorzover die betrekking heeft op de publicatie van gegevens uit het psychiatrisch dossier in samenhang met de herkenbaarheid van klaagster en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 december 1997 door prof. mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr J.B. Fleers, W.F. de Pagter, A.G. Scherphuis en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 38