1997/36 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Nederlandse Politiebond

tegen

de hoofdredactie van De Telegraaf/Martijn Koolhoven

Bij brief van 29 mei 1997 met 2 bijlagen, heeft J.F.W. van Duijn als voorzitter van de Nederlandse Politiebond te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van De Telegraaf en de journalist M. Koolhoven (betrokkenen).
Hierop is door de heer Koolhoven gereageerd in een brief van 1 juli 1997.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 september 1997.
Namens klaagster verschenen de heer J.F.W. van Duijn en de heer J.L. Wijnstok. Betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In De Telegraaf van 20 maart 1997 verscheen onder de kop 'Etenskorting agent taboe' een artikel van de hand van de journalist M. Koolhoven. Het stuk maakt melding van een nieuwe richtlijn van de Raad van Hoofdcommissarissen. Daarin zou zijn vastgelegd dat het niet langer is toegestaan dat politie-ambtenaren voor zichzelf een korting regelen op de levering van diensten of goederen. Het zou blijkens het artikel al 'sinds jaar en dag gebruikelijk' zijn 'dat agenten bij het kopen van snacks behoorlijke kortingen krijgen'. Behalve door de korpsleiding van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, die dit in 1993 zou hebben verboden, zou door de leiding tot op heden niet tegen deze 'politiekortingen' worden opgetreden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster vindt het artikel tendentieus. Er wordt bij de lezers een beeld opgeroepen dat geen recht doet aan het (hoge) integriteitsgehalte van de politie in haar algemeenheid. De indruk wordt gewekt dat kortingen op grote schaal voorkwamen, toegestaan waren, maar vanaf nu niet meer mogen. Kortingspraktijken komen volgens klaagster wel voor, maar slechts in incidentele gevallen. Het in het artikel als 'richtlijn' aangeduide statuut is vastgesteld door de Raad van
Hoofdcommissarissen. Daarin wordt het bedingen van kortingen verboden. Het statuut is een codificatie van het beleid zoals dat volgens klaagster sinds jaar en dag voor alle korpsen geldt.
Het stuk gaat over ethisch handelen en heeft een algemeen karakter.

Volgens betrokkenen is het artikel v¢¢r publicatie voor een toets op feitelijke onjuistheden voorgelegd aan een directe collega van de heer Van Duijn, afkomstig uit politievakbondgeledingen. Deze constateerde geen feitelijke onjuistheden.
Het artikel zou eveneens zijn voorgelegd aan hoofdcommissaris P. Tieleman, korpschef van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, die het integriteitsstatuut mede heeft opgesteld. Overigens zou volgens betrokkenen al eerder een soortgelijke publicatie in De Telegraaf zijn verschenen, van de hand van collega en oud-politieman J. van den Heuvel. Daartegen is nooit een klacht
ingediend.

Klaagster liet ter zitting weten dat zij de heer Tieleman had benaderd en dat deze ontkende dat het artikel aan hem was voorgelegd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel wordt als feit aangenomen dat het tot voor kort gebruikelijk was dat politie-ambtenaren profiteerden van kortingen en dat daar niet tegen werd opgetreden. De Raad beschouwt dit als een serieuze beschuldiging, die deugdelijk onderbouwt hoort te worden, wanneer tot publicatie wordt overgegaan. Het verschijnen van een richtlijn kan geen argument zijn om ervan uit te gaan dat het profiteren van kortingen voorheen gebruikelijk was en pas vanaf dat moment niet langer is toegestaan. De schriftelijke mededeling van betrokkenen dat zij
een en ander bij een tweetal politie-ambtenaren hebben geverifieerd, wordt door klaagster ten aanzien van ‚‚n van hen ontkend. Betrokkenen hebben de Raad er niet van kunnen overtuigen dat zij de door hen beschreven praktijk voldoende hebben geverifieerd alvorens tot publicatie over te gaan.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 oktober 1997 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr A.J. Heerma van Voss, M.J. Kes, mr E.C.M. Jurgens en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 36