1997/34 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

FNV

tegen

1. RTL Veronica Holland Media Groep S.A.
2. Compagnie Luxembourgeoise de Télédiffusion S.A.
3. P.R. de Vries

Bij brief van 16 april 1997 met bijgevoegd een videoband, heeft mr E. Verhulp, advocaat, namens de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen RTL Veronica Holland Media Groep S.A./Compagnie Luxembourgeoise de Télédiffusion S.A./P.R. de Vries (betrokkenen).
Hierop is door mr E.J. Dommering, advocaat, namens betrokkenen sub 1 en 2, gereageerd in een brief van 2 juni 1997 met 35 bijlagen en een videoband. Betrokkene 3 heeft per brief van 2 juni 1997 met 20 bijlagen op de klacht gereageerd. Namens klaagster is op 16 september 1997 nog een productie aan de Raad overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 september 1997.
Namens klaagster verscheen mr E. Verhulp. Namens betrokkenen 1 en 2 verscheen mr B.H.F. Dolphijn, bedrijfsjurist van de Holland Media Groep. De heer P.R. de Vries verscheen in persoon. De heer Verhulp heeft een pleitnota overgelegd en de heer De Vries een tweetal producties. De Raad heeft ter zitting twee bandopnamen beluisterd, van telefoongesprekken die de heer De Vries voerde met de heer J. Stekelenburg en met de heer J. Sprenger.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Bij een inbraak in december 1996 bij het Landelijk Recherche Team (LRT) te Zeist werden twee 'laptop-computers' gestolen, waarin zich bestanden met vertrouwelijke notities bevonden. De gestolen informatie is in de vorm van diskettes in het bezit gekomen van misdaadverslaggever Peter R. de Vries.
RTL 4 zond op 12 en 16 januari 1997 twee verschillende, zogenaamde promo's uit, waarin De Vries aankondigde dat hij in de uitzending van zijn programma op maandag 20 januari met een onthullend actueel onderwerp zou komen. In de promo op 16 januari meldde hij dat hij over de bij het LRT gestolen informatie beschikte, waaronder informatie over "een corruptieschandaal binnen de FNV". De uitzending van de promo's is in de periode tussen 16 en 20 januari meerdere malen herhaald. Ook in een door de Holland Media Groep verspreid persbericht, dat de uitzending aangekondigde, werd melding gemaakt van een corruptieschandaal binnen de FNV.

Klaagster heeft naar aanleiding hiervan op vrijdag 17 januari contact opgenomen met RTL 4 en om opheldering verzocht. Omdat een reactie uitbleef heeft klaagster een Kort Geding aangespannen. De Vries liet vervolgens aan klaagster weten "in contact te willen komen met een woordvoerder van de FNV, om u in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de feiten en daarop in de uitzending commentaar te geven". De voorlichter van klaagster,
J. Sprenger, heeft naar aanleiding hiervan contact opgenomen en kreeg per fax het bericht dat de diskettes informatie bevatten over "een vermeend geval van corruptie door een met name genoemde bondsbestuurder van de FNV, waartegen belastende verklaringen zijn afgelegd. Betrokken bestuurder zou onder meer contacten hebben gehad met een zakenman die hij uit hoofde van zijn functie heeft leren kennen. Met hem zou betrokkene ongeoorloofde transacties hebben afgesloten. Bovendien zou er sprake zijn geweest van regelrechte corruptie in de sfeer van omkoping en fraude, aldus de gegevens. Het LRT heeft hiervan het OM op de hoogte gesteld."
In een radio-interview van diezelfde avond liet De Vries weten bereid te zijn om meer informatie te verstrekken, indien de heer Stekelenburg, voorzitter van de FNV, hem zou bellen. In het daaropvolgend telefoongesprek met Stekelenburg vertelde De Vries om welke bondsbestuurder het ging en werd één beschuldiging nader toegelicht. Stekelenburg liet weten de zaak niet te kennen. Het telefoongesprek werd zonder medeweten van Stekelenburg door De Vries op band opgenomen. Op zaterdag 18 januari verspreidde klaagster een persbericht, waarin werd gemeld dat het zou gaan om een reeds lang bekende roddel, die voor justitie en politie nimmer aanleiding was geweest voor een onderzoek. Het Kort Geding werd ingetrokken.
Op zaterdagavond 18 januari discussieerden De Vries en voorlichter Sprenger in het radioprogramma 'Met het oog op morgen' over de zaak, die volgens Sprenger 'een roddel' betrof.
In de uitzending op maandag 20 januari werd door De Vries uit de doeken gedaan dat volgens de gegevens op de diskettes een bron informatie had doorgegeven over een bondsbestuurder van de FNV, die zich aan criminele activiteiten zou schuldig maken: zijn schulden zouden zijn afgelost door een Rotterdamse havenbaron, die hem ook een huis zou hebben geschonken, hij zou constructies aan het bedenken zijn om geld van vakbondsleden te verduisteren en hij zou een bedrijf bezitten dat als dekmantel voor een verdovende middelenlijn zou functioneren. Vervolgens zei De Vries, dat Stekelenburg had ontkend de zaak te kennen, terwijl de FNV in het verspreide persbericht beweerde dat het ging om een al maanden bekende roddel. Daarbij werd een kort fragment van de bandopname van het telefoongesprek ten gehore gebracht.
De Vries heeft klaagster in een fax van 24 januari laten weten dat er nog een uitzending over de LRT-affaire zou volgen en Stekelenburg of een andere woordvoerder uitgenodigd om in de studio te reageren. Klaagster is niet op de uitnodiging ingegaan. In de tweede uitzending is aan de FNV geen aandacht besteed.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat De Vries het bestaan van een corruptieschandaal binnen de FNV ten onrechte als feit heeft gepresenteerd, zowel in de promo als in de uitzending op 20 januari. Het waarheidsgehalte van de gepresenteerde gegevens zou door De Vries herhaalde malen zijn onderstreept. Uit de diskettes blijkt dat er slechts één bron is voor de informatie over een corrupte vakbondsbestuurder. Er is volgens klaagster onvoldoende onderzocht of de verkregen gegevens waar of voldoende betrouwbaar zijn. Dit klemt temeer nu de informatie afkomstig is uit diefstal en het gaat om een ernstige beschuldiging. Voor het verrichten van dergelijk onderzoek had De Vries voldoende tijd ter beschikking. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet toegepast. De Vries had de informatie kunnen verifiëren bij de betrokken bestuurder, de (Vervoersbond van de) FNV of het LRT. Vóór de uitzending van de promo was klaagster er niet van op de hoogte dat haar naam in de LRT-bestanden voorkwam. Na uitzending van de promo was De Vries slechts bereid informatie te verschaffen als klaagster daarop zou reageren in de uitzending van zijn programma. De FNV wilde niet verplicht worden mee te werken aan het programma.
Onder dreiging van een kort geding heeft De Vries uiteindelijk meer gegevens verstrekt, echter op een zodanig tijdstip dat klaagster nauwelijks meer in staat was zich vóór de uitzending daartegen te verweren.
Voor opname en uitzending van het telefoongesprek met de heer Stekelenburg had De Vries geen toestemming. Opname heeft zonder diens medeweten plaatsgevonden. De uitgezonden tekst is volgens klaagster uit zijn verband gerukt en sloeg niet op de affaire als zodanig doch op een specifieke beschuldiging. Door de wijze waarop de opname in de uitzending is gebruikt wordt de geloofwaardigheid van de FNV in twijfel getrokken. De affaire was bij de FNV bekend en onderzocht, maar al lange tijd geleden als roddel afgedaan. De informatie dat de roddel nooit tot een justitie/politie-onderzoek heeft geleid heeft klaagster van het LRT verkregen.

Betrokkenen 1 en 2 voeren primair aan dat de Raad niet bevoegd is om de klacht jegens hen te beoordelen, omdat hun gedragingen niet als een 'handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep', als bedoeld in artikel 4 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek kunnen worden gekwalificeerd.

Betrokkenen 1 en 2 zenden sinds oktober 1995 het programma 'Peter R. de Vries, misdaadverslaggever' uit. Betrokkene 3, de journalist De Vries, heeft hen voorgesteld een uitzending te produceren over de informatie die verkregen is uit de bij het LRT gestolen lap-tops en over de opsporingsmethoden van het LRT. Op dit voorstel hebben zij positief gereageerd.
Met de productie en uitzending was volgens betrokkenen een groot maatschappelijk belang gediend.
Er zou naar aanleiding van de diefstal bij het LRT een algemeen gevoelde behoefte zijn ontstaan om meer te weten over de informatie op de gestolen lap-tops, over de bevoegdheden en activiteiten van het LRT en over de personen en instanties naar wie onderzoeken plaatsvonden. In het programma 'Peter R. de Vries, misdaadverslaggever' wilden betrokkenen daarop een antwoord geven.
Het verzoek om opheldering van de FNV, naar aanleiding van de uitgezonden promo's, was gericht aan RTL 4 en was niet naar De Vries of de redactie van het programma gestuurd. Daardoor was De Vries pas op vrijdagmiddag in de gelegenheid te antwoorden. Ten tijde van het eerste contact met de FNV was de vorm en inhoud van de uitzending nog niet gereed. Er was nog voldoende tijd, namelijk nog ruim drie dagen om een aantal betrokkenen in te lichten en om commentaar te vragen. Het was volgens betrokkenen van journalistiek belang om daarmee zo lang mogelijk te wachten, omdat Justitie overwoog maatregelen te nemen tegen de programmamakers.
Betrokkenen stellen dat de herkomst van het materiaal en de betrouwbaarheid van de gegevens afdoende is onderzocht. Bij de LRT is op zaterdag 18 januari geverifieerd of de informatie inderdaad afkomstig was van de gestolen lap-tops. De LRT heeft dat bevestigd. Tevens is onder meer onderzocht of de betrokken personen en instanties werkelijk bestaan en of gebeurtenissen inderdaad hebben plaatsgevonden. In de uitzending is bovendien door De Vries gezegd dat LRT-informanten lang niet altijd betrouwbaar zijn.
De Vries heeft het telefoongesprek met Stekelenburg op band opgenomen, om achteraf duidelijkheid te kunnen scheppen over wat exact is gezegd en gevraagd. Hij acht dit in het genre waarin hij werkt noodzakelijk. Bovendien kon Stekelenburg dit verwachten, nu hij wist dat hij een TV-journalist belde, aldus betrokkenen.
Stekelenburg heeft in het telefoongesprek gezegd dat hij de zaak niet kende. In een persbericht bracht de FNV daarentegen naar buiten dat het ging om een 'reeds lang bekende roddel', die door politie en justitie nooit nader is onderzocht. Betrokkenen wijzen erop dat uit recente stukken blijkt dat in de zaak wel degelijk nader onderzoek heeft plaatsgevonden.
Betrokkenen hebben zowel Stekelenburg als Sprengers uitgenodigd om commentaar te geven in de studio. Ondanks deze herhaalde uitnodigingen heeft de FNV geweigerd om naar de studio te komen en haar zienswijze te geven. In de studio- en voice-overteksten is geprobeerd het FNV-standpunt zoveel mogelijk weer te geven. Ook na de uitzending van 20 januari weigerde de FNV om in een volgende uitzending commentaar te geven.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

De Raad heeft krachtens zijn statuten tot taak om ten aanzien van journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Als journalist wordt onder andere beschouwd, degene die er zijn hoofdberoep van maakt mee te werken aan de redactionele leiding of samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard. Ook eigenaren c.q. directeuren die aan dit criterium voldoen worden als journalist beschouwd.
Voor de Raad staat vast dat betrokkenen 1 en 2 bij de inhoud van het programma van Peter R. de Vries betrokken zijn geweest. De Vries heeft een programmavoorstel ingediend, waarmee zij hebben ingestemd, zo is door hen zelf aangegeven.
De Raad acht zich derhalve bevoegd over de gedragingen van betrokkenen 1 en 2 te oordelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het eerste onderdeel van de klacht heeft betrekking op het gebruik van de van de gestolen 'laptop-computers' afkomstige informatie in de promo's en in de uitzending op 20 januari 1997.
De Raad heeft in een uitspraak van 24 november 1995 ambtshalve een oordeel gegeven over het gebruik van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens door journalisten (gepubliceerd in De Journalist 1996 nr 4). Daarin is onder meer overwogen, dat een journalist, als het gaat om informatie betreffende derden, tegenover deze derden in elk geval de gebruikelijke journalistieke beginselen, zoals hoor en wederhoor, in acht behoort te nemen. Tevens zal moeten worden beoordeeld of de verkregen gegevens voldoende betrouwbaar zijn.

De promo's moeten naar de mening van de Raad worden gezien als een onderdeel van het programma, waarvoor journalistieke werkzaamheden zijn verricht.
De Raad stelt vast dat er voorafgaand aan de uitzending van de promo's geen contact is geweest tussen betrokkenen en klaagster. Op het moment van uitzending van de tweede promo, waarin sprake was van 'een corruptieschandaal binnen de FNV' wist klaagster niet om welke informatie het ging en op welke affaire de aankondiging betrekking had. Betrokkenen hadden op dat moment zich nog niet vergewist van de herkomst en betrouwbaarheid van de verkregen gegevens. Navraag bij het LRT vond pas na uitzending van de promo's plaats.
Alvorens de suggestie van een dergelijke ernstige beschuldiging uit te zenden dient naar het oordeel van de Raad de herkomst en betrouwbaarheid van de gegevens te worden geverifieerd en behoren betrokkenen in de gelegenheid te worden gesteld op de gegevens te reageren. Een en ander is vóór de uitzending van de promo's achterwege gebleven.

Na uitzending van de promo's is er contact geweest tussen partijen en heeft De Vries, zij het zeer beknopt, informatie gegeven met betrekking tot de voorgenomen uitzending. Ook heeft hij klaagster de gelegenheid geboden om te reageren.
De Raad acht de daarvoor resterende termijn van 3 dagen voor de uitzending voldoende om in dit geval tot een gedegen verweer te komen.

Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht is de Raad van mening dat het althans voor zover het de uitzending van de promo's betreft heeft ontbroken aan een behoorlijk hoor en wederhoor en dat er ten onrechte geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de herkomst en de betrouwbaarheid van de informatie, vervat in de gestolen informatiedragers. De vermelding in de uitzending van 20 januari, dat uit de gestolen informatie blijkt dat het LRT getipt is over een vermeend geval van corruptie bij de FNV, gaat de grenzen van het oirbare daarentegen niet te buiten. Daarbij heeft de Raad overwogen dat De Vries in deze uitzending uitdrukkelijk de betrouwbaarheid van LRT-informanten ter discussie stelt. Hij vermeldt bovendien dat het hier volgens de FNV gaat om een al maanden bekende roddel die nergens op is gebaseerd en neemt de juistheid van de beschuldiging niet voor eigen rekening.

Over de klacht met betrekking tot het ongevraagd opnemen en uitzenden van een telefoongesprek met de heer Stekelenburg overweegt de Raad het volgende.

De Raad heeft al eerder oordelen gegeven over de vraag of enerzijds opname van een telefoongesprek zonder medeweten van de gesprekspartner, en anderzijds de uitzending daarvan toelaatbaar is. In de uitspraak over de klacht Minister van VROM/Salverda en Runderkamp (van 21 april 1986, J 2/6/86) achtte de Raad het maken van bandopnamen door een journalist van door hem gevoerde (telefoon)gesprekken zonder dat zijn gesprekspartner daarvan op de hoogte is, in het algemeen een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

In het onderhavige geval acht de Raad de opname van het telefoongesprek toelaatbaar.
De Raad acht het aannemelijk dat, zoals betrokkenen hebben gesteld, de opname is gemaakt om achteraf duidelijkheid te kunnen scheppen over wat exact is gevraagd en gezegd. De verstrekking van informatie over de op handen zijnde uitzending was immers inzet van een kort geding.

Hoewel het een telefoongesprek betrof met een journalist en de heer Stekelenburg een ruime ervaring heeft in de omgang met de pers, hoefde hij er echter in dit geval geen rekening mee te houden dat een deel van het gesprek, buiten de context, in de uitzending ten gehore zou worden gebracht. Dit nog afgezien van de vraag of het De Vries vrij stond om hetgeen hij van het telefoongesprek had opgenomen in de uitzending mede te delen. De Vries had immers in de aan het gesprek voorafgaande radio-uitzending laten weten meer informatie te willen geven als Stekelenburg hem zou bellen. Daarmee haalde hij dit telefoongesprek uitdrukkelijk uit de openbaarheid.
Dit onderdeel van de klacht wordt dan ook gegrond geacht.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond ten aanzien van het ontbreken van hoor en wederhoor en ten aanzien van het ontbreken van deugdelijk onderzoek naar herkomst en betrouwbaarheid van de gestolen informatie, voor zover betrekking hebbend op de uitzending van de promos'.
Eveneens gegrond acht de Raad de klacht ten aanzien van de uitzending van een deel van het telefoongesprek met de heer Stekelenburg zonder diens medeweten.
Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting weer te geven in zendtijd van het programma van Peter R. de Vries.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 oktober 1997 door mr P.J. Boukema, voorzitter,
mr A.J. Heerma van Voss, M.J. Kes, mr E.C.M. Jurgens en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 34