1997/30 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting voor Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening in Gelderland (JJG)

tegen

K. Schaepman en de hoofdredactie van Vrij Nederland

Bij brief van 22 april 1997 met 4 bijlagen, heeft A.A. Bleijenberg, directeur van de Stichting Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening in Gelderland te Arnhem (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalist K. Schaepman en de hoofdredacteur van Vrij Nederland (betrokkenen).
Hierop is door de heer Schaepman gereageerd in een brief van 27 mei 1997.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 augustus 1997, in aanwezigheid van de heer Bleijenberg en de heer Schaepman.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In Vrij Nederland van 19 oktober 1996 is een artikel van de hand van de journalist Schaepman gepubliceerd met de kop 'Het papieren alter ego van een vader' en de subkop 'De strijd om de kinderen'. Het beschrijft de ervaringen van een vader in zijn strijd om de voogdij over zijn kinderen. De vader wordt in het stuk met naam genoemd, de namen van de kinderen en de ex-echtgenote zijn gefingeerd. De journalist heeft zijn artikel grotendeels gebaseerd op het omvangrijke dossier over de zaak, dat hij met toestemming van de vader heeft ingezien. Een deel van het artikel gaat over een hoorzitting van de externe klachtencommissie van de gezinsvoogdij-instelling
Stichting JJG, naar aanleiding van een klacht van de vader. De journalist was bij deze hoorzitting aanwezig, evenals de directeur van de Stichting JJG die in het artikel wordt geciteerd. De Stichting JJG heeft in een brief aan de hoofdredactie vragen gesteld over de gang van zaken rond de totstandkoming van het artikel. Ondanks twee herinneringen hebben betrokkenen op deze brief niet gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster maakt bezwaar tegen de wijze waarop de journalist zich bij de hoorzitting van de externe beroepscommissie heeft gepresenteerd. Hij zou hebben gezegd dat hij belangstellende en een kennis van de vader was. Niets wees erop dat hij de op deze wijze verkregen informatie zou publiceren. De gebruikte citaten wekken de indruk dat met klaagster is gesproken, hetgeen niet het geval is. Er heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, aldus klaagster. Bovendien is door de vermelding van de achternaam van de vader de privacy geschonden, omdat daarmee ook zijn kinderen herkenbaar zijn.
Ten slotte stelt klaagster dat het onbeantwoord blijven van haar brieven aan de hoofdredactie onzorgvuldig is.

Schaepman heeft in het klachtenreglement van de commissie niet gelezen dat hoorzittingen besloten zijn. Hij heeft met de vader voorafgaand aan de hoorzitting besproken dat hij zich alleen als daar om gevraagd zou worden als journalist bekend zou maken. Hij wilde de gang van zaken tijdens de hoorzitting zo weinig mogelijk benvloeden. De voorzitter van de commissie vroeg volgens Schaepman uitsluitend naar zijn naam. Hij heeft ter zitting van de Raad een brief van de raadsman van de vader overgelegd, die deze gang van zaken bevestigt. Schaepman stelt dat hij de achtergronden, standpunten en details van de zaak reeds kende uit het uitgebreide dossier. Bestudering van het
dossier beschouwt hij als een adequate vorm van hoor en wederhoor. De door hem gebruikte citaten zijn zeer zorgvuldig weergegeven en wekken geenszins de indruk dat hij met klaagster heeft gesproken, aldus Schaepman. Om onnodige inbreuken op de privacy te voorkomen, heeft hij namen weggelaten of veranderd. Voor zover het artikel de privacy van de vader raakt is dat met diens instemming gebeurd. Schaepman heeft geen verklaring voor het uitblijven van een reactie op de brieven van klaagster.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Geklaagd wordt over
1. de werkwijze van de journalist bij het vergaren van zijn informatie;
2. schending van het beginsel van hoor en wederhoor;
3. schending van de privacy;
4. het onbeantwoord laten van brieven.

In het eerste onderdeel van de klacht wordt de betrokken journalist verweten dat hij zich niet als journalist bekend heeft gemaakt bij de hoorzitting van de externe beroepscommissie.
Voor de Raad geldt als uitgangspunt dat een journalist degene over wie hij schrijft met 'open vizier' tegemoet behoort te treden. In het gewraakte artikel was de vader de hoofdpersoon. De vader heeft de journalist zelf mee naar de hoorzitting genomen. Tijdens de zitting waren geen andere betrokken familieleden aanwezig. De voorzitter van de Commissie noch de ter zitting aanwezige vertegenwoordiger van klaagster heeft de journalist naar de reden van zijn aanwezigheid gevraagd. Er is niet vast komen te staan dat de journalist, bij bekendmaking van zijn beroep, de toegang zou zijn ontzegd.
Onder deze specifieke omstandigheden acht de Raad de handelwijze van de journalist niet ontoelaatbaar. Dit onderdeel van de klacht acht de Raad daarom ongegrond.

Het tweede onderdeel van de klacht acht de Raad eveneens ongegrond. Aan het artikel ging een uitgebreid dossieronderzoek vooraf. De standpunten van klaagster bleken voldoende uit het dossier en uit de mededelingen van haar directeur tijdens de hoorzitting, zodat wederhoor in dit geval niet nodig was.

Het derde klachtonderdeel betreft de schending van de privacy. De Raad neemt in aanmerking dat de klacht is ingediend door de Stichting JJG en dat niet uitdrukkelijk namens de betrokken kinderen c.q. de ex-echtgenote is geklaagd. De Raad is van mening dat klaagster onvoldoende eigen belang heeft om zelf over schending van de privacy te klagen. De Raad overweegt ten overvloede dat het, met het oog op herleidbaarheid ten aanzien van de kinderen, wel aanbeveling had verdiend ook de werkelijke achter naam van de vader niet te noemen.
Ook dit onderdeel van de klacht acht de Raad ongegrond.

Ten aanzien van het vierde onderdeel van de klacht, het uitblijven van een reactie op brieven aan de hoofdredactie, overweegt de Raad dat een dergelijke handelwijze, waarvoor overigens geen verklaring kon worden gegeven, ten aanzien van klaagster onzorgvuldig is. In zoverre is de klacht gegrond.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond, voor zover die betrekking heeft op het onbeantwoord laten van brieven aan de hoofdredactie en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 september 1997 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr D.T. Dalmolen, mr G. Dullens en drs K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 30