1997/3 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Luns

tegen

de leden van de hoofdredactie van Weekend

In een brief van 24 september 1996, met 4 bijlagen, heeft de heer H. Luns te Hilversum (klager) een klacht ingediend tegen de heer W.G. Schaap en mevrouw A.H. van der Tonnekreek, die samen de hoofdredactie vormen van het blad Weekend (betrokkenen).
Hierop is door mr M.R. de Zwaan, advocaat, namens de uitgever van het blad, Uitgeverij Kontekst B.V., gereageerd in een brief van 31 oktober 1996, later gevolgd door een brief van 29 november 1996, met 5 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 december 1996.
Klager verscheen in persoon, onder overlegging van twee pleitnota's. Mr M.R. de Zwaan had laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In nummer 21 van 1994 van het blad Weekend is een artikel gepubliceerd met de kop 'Zoon van Joseph Luns op staande voet ontslagen na FIOD-onderzoek' en de subkop 'Drama voor 82-jarige oud-minister'. In het stuk, waarin klager, zijn echtgenote en zijn kinderen met naam en woonplaats worden genoemd, wordt beschreven dat klager door een Luxemburgse bank op staande voet is ontslagen, omdat hij zou hebben meegewerkt aan het witwassen van drugsgelden. Hij zou daar zelf een ton aan hebben overgehouden. Het ontslag zou zijn gevolgd op de uitkomst van een FIOD-onderzoek.
Er wordt in het artikel een 'vriend' aangehaald, die vertelt:
"Joseph Luns heeft zich deze affaire heel erg aangetrokken"
"Huib vond het verschrikkelijk dat hij zijn vader moest bekennen dat hij op staande voet was ontslagen".
In Weekend nr. 43 van 1995 verscheen vervolgens een artikel over oud-minister Joseph Luns, waarin de affaire rond het ontslag van klager opnieuw wordt genoemd. Ook daarin wordt een 'vriend' geciteerd.
Na inschakeling van een advokaat door klager, werd in Weekend nr. 48 van 1995 een rectificatie geplaatst, waarin onder het aanbieden van verontschuldigingen aan klager, door de redactie wordt toegegeven dat klager niet heeft meegewerkt aan het witwassen van drugsmiljoenen en dat het ontslag daar niets mee te maken had.
Op 10 juni 1996 werd op verzoek van klager een voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank te Amsterdam gehouden. Klager hoopte daarmee duidelijkheid te verkrijgen over de identiteit van de in beide artikelen geciteerde 'vriend'. Uit de in dat verband afgelegde verklaringen van betrokkenen en de journalist B.H. Holthuis, die de artikelen heeft geschreven, blijkt dat voor de artikelen geen mensen zijn geraadpleegd.
Ze zijn gebaseerd op een artikel in het NRC-Handelsblad uit 1994 en een door de journalist aangehouden archief. De 'vriend' blijkt niet te bestaan.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager richt zijn klacht tegen de hoofdredactie van Weekend, die bestaat uit de heer W.G. Schaap en mevrouw A.H. van der Tonnekreek. Hij acht betrokkenen verantwoordelijk voor de publicatie van de beide artikelen en vindt dat zij onvoldoende redactionele controle hebben uitgeoefend. In de artikelen staan bijzonder ernstige beschuldigingen die volgens klager onjuist zijn. Er is nagelaten om wederhoor toe te passen. Daarentegen is een niet bestaande vriend van de familie ten tonele gevoerd om de aantijgingen kracht bij te zetten. Dit is, zo blijkt uit de verklaringen van één van de betrokkenen in het voorlopige getuigenverhoor, een bij Weekend gebruikelijk "stijlbloempje om het verhaal roddelachtig te doen overkomen'. Klager meent dat er dan ook reden is om te vrezen voor herhaling. Na verschijning van de eerste publicatie in Weekend heeft klager geen contact gezocht met betrokkenen. Pas nadat in 1995 De Telegraaf erop terugkwam en ook Weekend weer over de kwestie publiceerde heeft hij een advokaat in de arm genomen. Van het bestaan van de Raad voor de Journalistiek was hij toen niet op de hoogte. In het artikel in NRC-Handelsblad, dat de bron zou zijn voor het stuk in Weekend, werd niet over witwassen van drugsgelden geschreven. Bovendien werden daarin alleen zijn initialen genoemd.

Mr. De Zwaan voert primair het verweer dat de Raad onbevoegd is om over de klacht te oordelen, c.q. dat de klacht niet ontvankelijk is. De Raad is uitsluitend bevoegd om te oordelen over journalistieke gedragingen. De klacht is door betrokkenen opgevat als gericht tegen de uitgever, die niet als een journalist kan worden aangemerkt, zodat ook geen sprake is van een journalistieke gedraging, zo betoogt de advocaat. Voorts zou klager geen belang hebben bij een uitspraak van de Raad, aangezien de gewraakte publicaties door de uitgever zo spoedig mogelijk, zonder voorbehoud of terughoudendheid en op een prominente wijze zijn gerectificeerd.
Met betrekking tot het ontbreken van wederhoor wordt zijdens betrokkenen gesteld dat niet in alle gevallen wederhoor noodzakelijk is. De gewraakte publicaties zouden zijn gebaseerd op eerdere artikelen in De Telegraaf en NRC Handelsblad. Er was sprake van algemeen bekende nieuwsfeiten, die niet opnieuw geverifieerd behoefden te worden. Het artikel in Weekend is geschreven door een journalist die ruim twintig jaar ervaring heeft, reden waarom volgens betrokkenen door hen niet is gevraagd naar zijn bronnen en een dergelijke controle ook niet van hen verlangd kan worden. Vanwege de uitgebreide rectificatie bestaat er volgens betrokkenen geen grond om voor herhaling te vrezen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad dient allereerst een oordeel te geven over zijn bevoegdheid c.q. de ontvankelijkheid van de klacht.

Ten aanzien van de bevoegdheid:
Uit de formulering van de klacht en de toelichting van klager ter zitting blijkt duidelijk dat de klacht zich richt tegen degene die verantwoordelijk is voor publicatie van de beide artikelen in Weekend, te weten de hoofdredactie. Voldoende staat aldus vast dat het hier een journalistieke gedraging betreft, zodat de Raad bevoegd is over de klacht te oordelen.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid:
De Raad overweegt dat de rectificatie van een artikel niet met zich mee hoeft te brengen dat er geen belang meer bestaat bij een oordeel van de Raad over dat artikel. De Raad beschouwt klager als rechtstreeks belanghebbende en acht hem ontvankelijk in zijn klacht.

Daarmee komt de Raad toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

De Raad vat de klacht samen als te zijn gericht tegen
1. onjuistheden in beide publicaties en
2. het ontbreken van wederhoor.

Ten aanzien het eerste onderdeel van de klacht overweegt de Raad, dat uit de gepubliceerde rectificatie reeds kan worden afgeleid dat betrokkenen niet in staat zijn om de juistheid van hun beweringen aannemelijk te maken. Het gaat hier om ernstige aantijgingen die aan degene die het betreft schade kunnen berokkenen. De rectificatie kan dit, gelet op de ernst van de beschuldiging, niet goedmaken.

Met betrekking tot het ontbreken van wederhoor stelt de Raad vast dat geen poging is gedaan om klager in de gelegenheid te stellen op de voorgenomen publicaties te reageren. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen die in het kader van het voorlopig getuigenverhoor zijn afgelegd en waarvan de Raad kennis heeft genomen. De Raad is van oordeel dat, gelet op de ernst van de beschuldiging en de omstandigheid dat er informatie is toegevoegd aan de publicatie in NRC Handelsblad, er redenen waren om zich met klager in verbinding te stellen, ook al is dit, volgens de redactie, geen gebruik bij Weekend.

Alles overwegend komt de Raad tot het oordeel dat in dit geval de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijke aanvaardbaar is en acht zij de klacht op beide onderdelen gegrond.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht op beide onderdelen gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Weekend te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 januari 1997 door mr P.J. Boukema, voorzitter,
mr. G. Dullens, J.A. Koerts, A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1997, 3.