1997/29 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

H.A.B. Vergeer

tegen

J. Surstedt en EZ-Journaal

Bij brief van 7 april 1997 met 6 bijlagen heeft de heer H.A.B. Vergeer (klager) een klacht ingediend tegen de journalist J. Surstedt en de hoofdredacteur van het EZ-Journaal (betrokkenen). Hierop is door mevrouw E. van der Vaart, hoofdredacteur van EZ-Journaal, gereageerd in een brief van 15 april 1997 met 11 bijlagen. Bij brief van 22 mei 1997 heeft klager nog een aanvullende bijlage aan de klacht toegevoegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juli 1997. Klager verscheen in persoon. Namens betrokkenen verscheen de heer Surstedt.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager trad op als lijsttrekker van de groepering van de Onafhankelijken bij de Ondernemingsraadverkiezingen die op 12 maart 1997 werden gehouden bij het Cen- traal Bureau voor de Statistiek. Naar aanleiding van de verkiezingsuitslag werd klager voor het EZ-Journaal geãnterviewd door de heer Surstedt. Klager heeft de tekst van het interview v¢¢r publicatie ter inzage gekregen en heeft met de hem voorgelegde tekst ingestemd. Het interview werd op 15 maart jl. in EZ-Journaal gepubliceerd. De gepubliceerde tekst bevatte de volgende passage:

"Henk Vergeer van de Onafhankelijken sprak zijn teleurstelling uit over het tegenvallende resultaat in Heerlen. "We hebben erg veel nadruk gelegd op betekenisvolle herbezetting. Blijkbaar sloeg ons verhaal beter aan in Voorburg, waar we de grootste zijn, dan in Heerlen, waar we de minste stemmen van allemaal haalden. Misschien komt dat doordat in Voorburg de werkdruk hoger is"."

De eerste en laatste zin uit dit citaat van klager kwamen in de aan klager voorgelegde tekst niet voor.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij met het interview heeft ingestemd, onder voorwaarde dat de kopij aan hem werd voorgelegd en hij het recht had de van hem afkomstige uitspraken v¢¢r publicatie te wijzigen en goed te keuren. Hij wilde er zeker van zijn dat hij goed werd geciteerd. De journalist zou met die voorwaarde hebben ingestemd. Een en ander wordt in een schrif- telijke verklaring beaamd door de heer R. Lindeman, die stelt dit deel van het gesprek tussen klager en de journalist te hebben gehoord. Klager heeft de hem voorgelegde tekst goedgekeurd. Daarna heeft de journalist de tekst gewijzigd en zijn er citaten in opgenomen die volgens klager niet door hem zijn uitgesproken; hem zijn woorden in de mond gelegd. Deze handelwijze is volgens klager in strijd met de daarover gemaakte afspraken en bovendien onzorgvuldig. Klager acht het onjuist dat de tekst die hij als geãnterviewde te zien kreeg afweek van de gepubliceerde tekst. De ten onrechte aan hem toegeschreven uitspraken acht hij bovendien schadelijk voor hemzelf en zijn collega's. Een verzoek tot rectificatie is door betrokkenen afgewezen.

Betrokkenen erkennen dat de journalist heeft ingestemd met inzage van de tekst van het interview door klager v¢¢r publicatie. De journalist heeft volgens hen echter geen toezegging gedaan over goedkeuring of accordering van teksten of onderdelen daarvan. Tijdens het telefoongesprek naar aanleiding van de voorgelegde tekst, zou klager zijn teleurstelling hebben uitgesproken over het ontbreken van zijn opmerkingen over de betekenisvolle herbe- zetting en de werkdruk. Deze opmerkingen zijn later aan de tekst toegevoegd, om klager terwille te zijn. De uitspraken zijn volgens betrokkenen wel degelijk door klager gedaan. Een aanbod tot plaatsing van een ingezonden brief is door klager afgewezen, evenals een aanbod om zijn uitspraken in een redac- tioneel artikel toe te lichten. Een door betrokkenen opgestelde tekst werd door klager afgekeurd.

De door klager voorgestelde rectificatie was voor betrokkenen niet acceptabel, omdat klager naar hun mening niet onjuist is geciteerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

Partijen verschillen van mening over de vraag of al dan niet is afgesproken dat klager de tekst vooraf- gaand aan publicatie mocht accorderen. Gelet op de verschillende standpunten hierover kan het antwoord op deze vraag door de Raad niet worden vastgesteld. Dit kan echter in het midden blijven, nu vast staat dat is overeengekomen dat klager de tekst tevoren mocht inzien en de journalist de door hem opgestelde tekst zonder enig voorbehoud aan klager heeft voorgelegd en zonder aan klager mee te delen dat de tekst nog zou kunnen worden gewijzigd. Onder die omstandigheden mocht klager naar het oordeel van de Raad erop vertrouwen dat de door hem geaccordeerde tekst ongewijzigd zou worden gepubliceerd, althans niet gewijzigd op andere dan ondergeschikte punten. Nu het hier een citaat van klager betreft is de Raad van oordeel dat dit geen ondergeschikt punt is. Door de geaccordeerde tekst te wijzigen zonder daarover met klager te overleggen, hebben betrokkenen onvoldoende zorgvuldig gehandeld, zodat dit onderdeel van de klacht gegrond is.

De vraag of klager al dan niet een uitspraak in de mond is gelegd die hij nimmer heeft gedaan, kan door de Raad niet worden beoordeeld. Partijen verschillen hierover van mening, terwijl geen bandopname van het interview beschikbaar is op basis waarvan zou kunnen worden beoordeeld wat werkelijk tijdens het interview besproken is. De Raad onthoudt zich derhalve van een oordeel over het tweede onderdeel van de klacht.

BESLISSING

De Raad acht de klacht deels gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in EZ-Journaal te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 september 1997, door drs.
M.W.M. Vos-van Gortel, voorzitter,
J.A. Koerts, W.F. de Pagter en A.G. Scherphuis, leden, in
tegenwoordigheid van
mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

RvdJ 1997, 29.