1997/28 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

F.A. Specht en H. Specht-Hartmann

tegen

T. Bakker, redacteur van het Financieel Economisch Magazine (FEM)

Bij klaagschrift van 14 maart 1997 met 9 producties heeft mr. G. Dik, advocaat te Amsterdam, namens de heer F.A. Specht en mevrouw H. Specht-Hartmann (klagers) een klacht ingediend tegen de heer T. Bakker, redacteur van FEM (betrokkene). In een brief van 1 mei 1997 met twee bijlagen heeft de heer P.A. Wieringa, hoofdredacteur van FEM, namens de heer Bakker op de klacht gereageerd.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 11 juli 1997. Op de zitting zijn verschenen de heer Specht, bijgestaan door mr. Dik, alsmede de heren Bakker en Wieringa van FEM. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij mr. Dik pleitnoti- ties heeft overgelegd.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene heeft in april 1989 in FEM een artikel gepubliceerd over de heer Specht, getiteld "Bankier stopt glanscarriƤre van financieel illusionist". In datzelfde jaar is klager in de Verenigde Staten strafrechtelijk veroordeeld wegens fraude, waarna Specht gedurende 30 maanden gedetineerd is geweest in de Verenigde Staten.

Medio 1996 heeft betrokkene contact opgenomen met Specht naar aanleiding van berichten dat Specht een rol speelde in Panamese politieke kringen en hij wellicht betrokken was bij een donatie van een aanzienlijk geldbedrag aan de partij van president Balla- dares van Panama. Betrokkene was voornemens daarover een artikel te schrijven in FEM. Specht heeft zich bereid verklaard vragen van betrokkene te beantwoorden, waarna een tweetal besprekin- gen heeft plaatsgevonden.

Op 3 december 1996 heeft de Panamese oppositiekrant "La Prensa" een uitvoerig artikel gepubliceerd over de val van de Panamese bank Banaico. In dit artikel wordt gesteld dat Specht in de desbetreffende affaire een belangrijke rol speelde. Bij het artikel is onder meer een kopie afgedrukt van een brief van 9 september 1996 van mr. Dik aan betrokkene. Klager heeft niet bij La Prensa geprotesteerd tegen de inhoud van het artikel.

Betrokkene heeft bij faxbrief van 4 februari 1997 het concept van zijn artikel voor FEM aan mr. Dik toegezonden. In een faxbrief van 5 februari 1997 heeft mr. Dik namens zijn cliĆ¢nt een aantal opmerkingen bij het concept geplaatst. Bij faxbrief van 17 februari 1997 heeft mr. Dik vervolgens nog enkele nadere opmerkingen gemaakt en betrokkene gevraagd om een reactie. Betrokkene heeft daarop in een faxbrief van 18 februari 1997 mr. Dik bericht dat hij het artikel inmiddels reeds voor publicatie gereed had laten maken, dat hij het commentaar van 5 februari 1997 "voorzover dienstig" in het artikel had verwerkt en dat nadere opmerkingen van Specht om die reden zinloos zouden zijn. Het artikel is op 15 februari 1997 in FEM gepubliceerd onder de kop "Hoe een oplichter een president sponsort".

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat Specht ten onrechte in de kop van het artikel als oplichter wordt betiteld. Het gaat naar hun mening niet aan dat een persoon die in 1989 wegens fraude is veroordeeld en zijn detentie heeft uitgezeten, acht jaar na dato in het openbaar en schriftelijk een oplichter wordt genoemd. Volgens klagers moet aansluiting worden gezocht bij de omschrijving van het delict smaadschrift in artikel 261 Wetboek van Strafrecht.

Klagers menen voorts dat ten onrechte in het artikel de navolgende zinnen zijn opgenomen:

"Aanbrenger Specht kreeg een half miljoen krediet van
de Bank voor een eigen ontwikkelingsproject aan de Panamese kust.";

"Het geld dat Banaico aan Specht had verstrekt, kwam niet terug." en

"Hoog bezoek van twee Panamese ministers aan Nederland om FEM daarvan te doordringen ging helaas niet door, maar zorgde in Panama wel voor vragen over Spechts invloed in Panama."

Klagers stellen dat zij in hun eer en goede naam zijn geschaad en menen dat betrokkene aldus de grenzen heeft overschreden van wat gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

Betrokkene stelt zich op het standpunt dat gezien de strafrechtelijke veroordeling van Specht in 1989 en zijn huidige reputatie in Nederland de aanduiding "oplichter" gerechtvaardigd is. Dit mede gelet op het feit dat het artikel activiteiten van Specht betreft welke in dezelfde lijn liggen als die waarvoor hij destijds veroordeeld is. Bij de beoordeling van wat in deze aanvaardbaar is moet niet bij strafrechtelijke kwalificaties worden aangesloten, maar bij de vraag of het handelen in journalistiek en maatschappelijk opzicht voldoende zorgvuldig is geweest, aldus betrokkene. Niet alleen is dat naar de mening van betrokkene het geval, ook is een dergelijke aanduiding niet ongebruikelijk, zoals bijvoorbeeld in "meester-oplichter Olivier", "schilderijenvervalser Van Meegeren" en "drugsbaron Charles Z.".

Ten aanzien van de inhoud van het artikel stelt betrokkene dat een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. Het artikel in FEM is daarvan slechts een samenvatting. Betrokkene stelt de uitkomsten van zijn onderzoek uitvoerig met Specht te hebben besproken, waarbij laatstgenoemde de gelegenheid heeft gekregen op zijn opmerkingen te reageren. Wat Specht als waarheid beschouwt hoeft betrokkene, zo stelt hij, nog niet voor juist te houden; hij heeft in het artikel verschillende lezingen verwoord. Met betrekking tot de passage over de Panamese ministers merkt betrokkene op dat hij niet op het voorstel hen in het gesprek te betrekken is ingegaan, omdat hij daar in de aangeboden vorm geen prijs op stelde. Wel had hij hen graag willen spreken als journalist dan wel als waarnemer, hetgeen het woord "helaas" in de tekst verklaart. De vermelding van deze zin vond betrokkene desondanks relevant, nu uit het feit dat Specht "ministers kan optrommelen" blijkt hoe groot zijn invloed in Panama is.

Tot slot heeft betrokkene erop gewezen dat hij Specht de gelegenheid heeft geboden voor een weerwoord, bijvoorbeeld in de vorm van een ingezonden brief. Specht heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

Ten aanzien van de vraag of in de kop van het artikel gebruik kon worden gemaakt van de aanduiding "oplichter", stelt de Raad voorop dat hij niet aan strafrech- telijke kwalificaties toetst, maar aan de door de Raad gehanteerde norm van journalistieke en maatschappelijke zorgvuldigheid. Met koppen dient naar het oordeel van de Raad in het algemeen zorgvuldig te worden omgesprongen. Koppen geven immers niet alleen een eerste indruk van het artikel, maar kunnen tevens voor een groot deel van het lezerspubliek de blijvende indruk van het bericht bepalen. In deze zaak is de Raad van oordeel dat de kop weliswaar onnodig onelegant is nu de veroordeling wegens oplichting inmiddels reeds lang geleden heeft plaatsgevonden, maar dat deze wel voldoende wordt gedragen door die veroordeling uit het verleden. Dit mede gelet op de inhoud van het artikel, dat vergelijkbare aantijgingen aan het adres van Specht bevat als waarvoor hij in het verleden is veroordeeld. De verwijzing naar het verleden is derhalve in een context geplaatst.

Wat betreft de inhoud van het artikel, in het bijzonder de eerste twee passages waarop de klacht betrekking heeft, overweegt de Raad allereerst dat betrokkene duidelijk heeft gemaakt dat hij uitgebreid onderzoek naar de achtergronden van de situatie heeft gedaan. Voorts heeft hij, zoals door Specht ook is erkend, hoor en wederhoor toegepast. Betrokkene was niet gehouden alle opmerkingen die Specht naar aanleiding van het concept gemaakt heeft, in de definitieve versie van de tekst te verwerken. De Raad overweegt mede dat Specht de gelegenheid is geboden een weerwoord in FEM te doen plaatsen. Van deze mogelijkheid heeft Specht geen gebruik gemaakt, evenmin als hij zich ooit tegen de aantijgingen in de Panamese krant "La Prensa" heeft verweerd.

Ten aanzien van de gewraakte passage over het bezoek van de Panamese ministers is de Raad van oordeel dat het gebruik van het woord "helaas", gelet op de reden waarom het bezoek van de ministers niet doorging, niet geheel op zijn plaats is. Dit heeft echter geen zelfstandige betekenis voor de inhoud en vorm van het artikel, temeer daar de vermelding van de mogelijkheid dat de ministers zouden komen wel relevant is, als door betrokkene is toegelicht.

Betrokkene heeft gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar gehandeld.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te geven in FEM Magazine.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 september 1997, door drs.
M.W.M. Vos-van Gortel, voorzitter,
J.A. Koerts, W.F. de Pagter en A.G. Scherphuis, leden, in
tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg,
secretaris.

RvdJ 1997, 28.