1997/27 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

W. Oltmans

tegen

P. Hagen en De Journalist

Bij brief van 15 januari 1997 met drie bijlagen heeft de heer W. Oltmans (klager) een klacht ingediend tegen de heer P. Hagen en De Journalist (betrokkenen). In een (niet gedateerde) brief heeft de heer P. Hagen, hoofdredacteur van De Journalist, op de klacht gereageerd.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 27 juni 1997. Klager en betrokkenen hebben op de zitting hun klacht respectievelijk verweer toegelicht.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De heer P. Hagen heeft in De Journalist van 13 december 1996, in aansluiting op een eerdere publicatie van 17 mei 1996, een artikel gepubliceerd over de "meer dan veertig jaar durende strijd" van klager tegen de Staat der Nederlanden. Het artikel betreft mede de relatie tussen klager en de Nederlandse Vereniging van Journalisten NVJ. Laatstgenoemde is ook uitgever van De Journalist.

Betrokkenen hebben het artikel van 13 december 1996 v¢¢r publicatie aan klager voorgelegd. Klager heeft gevraagd op de publicaties van 17 mei en 13 december 1996 in een artikel te mogen reageren, maar dat is hem geweigerd. Wel is klager de mogelijkheid geboden een ingezonden brief aan De Journalist te schrijven, hetgeen klager vervolgens gedaan heeft. De heer Hagen heeft klager meegedeeld dat hij de ingezonden brief te lang achtte, heeft vervolgens de brief ingekort en deels gewijzigd en heeft de gewijzigde tekst ter goedkeuring aan klager toege- zonden. Deze heeft daarop de gewijzigde tekst goedgekeurd.

Nadien heeft de heer Hagen uit de door klager goedgekeurde tekst alsnog een passage geschrapt, zijnde een passage welke aantijgingen tegen functionarissen van de NVJ bevatte. De heer Hagen heeft gesteld de passage te hebben geschrapt omdat hij de brief intussen ook aan de heer A.I. Abram, voorzitter van de NVJ, had voorgelegd en deze de passage feitelijk onjuist achtte. Betrokkenen hebben de nieuwe wijziging niet meer aan klager voorgelegd en zijn zonder verder overleg overgegaan tot publicatie van de ingezonden brief in De Journalist.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat betrokkenen, door het schrappen van een kritische passage uit de gewijzigde en aan klager ter goedkeuring voorgelegde tekst voor de ingezonden brief, de grenzen hebben overschreden van wat gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is. Eerder waren al diverse kritische passages uit zijn ingezonden brief geschrapt. Klager meent dat hij erop mocht vertrouwen dat de gewijzigde en door hem goedgekeurde tekst vervolgens ongewijzigd in De Journalist zou worden gepubliceerd.

Betrokkenen stellen voorop dat de ingezonden brief van klager de gebruikelijke lengte van een ingezonden brief ver te boven ging. De redactie behoudt zich het recht voor naar eigen goeddunken brieven in te korten, zodat daartoe ook in dit geval mocht worden overgegaan. Voorts stellen zij dat de redactie niet verplicht is een (deel van een) tekst te plaatsen wanneer de juistheid van de gestelde feiten door daarbij betrokken personen wordt betwist en de redactie niet in staat is de gestelde feiten te verifieren. De essentie van de ingezonden brief is overeind gebleven, aldus betrokkenen, zodat zij niet hebben gehandeld in strijd met hun journalistieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

De Raad stelt in zijn algemeenheid voorop dat de redactie van een tijdschrift als De Journalist de vrijheid heeft ingezonden brieven in te korten danwel te wijzigen, mits de essentie van de ingezonden brief niet verloren gaat.

In dit geval hebben betrokkenen de door de redactie gewijzigde en ingekorte brief ter goedkeuring aan klager voorgelegd. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt en is ook niet aan klager meegedeeld dat de brief tevens ter goedkeuring zou worden voorgelegd aan functionarissen van de NVJ. De Raad meent dat betrokkenen niet gehouden waren tot deze gang van zaken maar dat, nu zij daarvoor wel gekozen hebben, klager erop mocht vertrouwen dat de door hem gefiatteerde tekst van de ingezonden brief ongewijzigd zou worden gepubliceerd, althans niet gewijzigd op andere dan ondergeschikte punten. Het schrappen van een kritische passage met betrekking tot functionarissen van de NVJ, de organisatie die tevens uitgever van het betreffende blad is, kan naar het oordeel van de Raad niet als een dergelijk ondergeschikt punt worden beschouwd.

De Raad is om voornoemde redenen van oordeel dat betrokkenen aldus de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journa- listieke verantwoordelijkheid, aanvaardbaar is. De klacht is derhalve gegrond.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in De Journalist.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 augustus 1997 door mr.
P.J. Boukema, voorzitter,
prof. mr. E.C.M. Jurgens, drs. K.J. van der Zande, H. van
Gessel en K. Wiese, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

RvdJ 1997, 27.