1997/26 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

M.J. Lamers

tegen

B. Middelburg en Het Parool

In een brief van 18 februari 1997 met drie bijlagen heeft mr. D.W.H.M. Wolters namens de heer M.J. Lamers (klager) een klacht ingediend tegen de heer B. Middelburg en Het Parool (betrokkenen). In een brief van 6 maart 1997 met tien bijlagen hebben betrokkenen op de klacht gereageerd. Bij brieven van 14 februari en 21 mei 1997 met als bijlagen artikelen uit Het Parool van diezelfde data hebben betrokkenen nadere stukken aan de Raad gezonden. Klager heeft bij brief van 18 juni 1997 van mr. Wolters de klacht nader toegelicht en gepreci- seerd. Met een brief van 24 juni 1997 hebben betrokkenen vervolgens nog drie bijlagen in het geding gebracht. Tot slot hebben zij bij faxbrief van 26 juni 1997 van hun gemachtigde mr. W.C. van Manen nog een tweetal stukken aan de Raad toegezonden.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 27 juni 1997. De gemachtigden van klager en betrokkenen hebben ter zitting aan de hand van pleitnotities de klacht respectievelijk het verweer nader toegelicht.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 17 januari, 21 januari, 5 februari, 14 februari en 21 mei 1997 zijn van de hand van de heer B. Middelburg artikelen in Het Parool gepubliceerd met betrek- king tot klager. De artikelen verwijzen naar de periode rond 1988, toen klager zich publiekelijk afficheerde als "magister templi" van de "Satanskerk" te Amsterdam, alsmede naar het plotseling vertrek van klager uit Nederland daags voor de FIOD eind 1988 een inval deed bij de Satanskerk. In de artikelen is beschreven dat klager veroordeeld is tot gevangenisstraf wegens een fiscale kwestie welke hij niet heeft uitgezeten, alsmede dat klager c.q. de Satanskerk een aanzienlijke belastingschuld heeft aan de Staat der Nederlanden.

In de artikelen is vermeld dat klager zich thans gevestigd heeft in Monaco en voorts dat hij, via een vennootschap, het historische kasteel Montbrun in Frankrijk heeft gekocht en aldaar woonachtig is. In de artikelen zijn onder meer de volledige naam van klager, de naam van het door hem bewoonde kasteel, zijn privÇ-adressen in Monaco en Frankrijk, de naam van het door klager geleide bedrijf en het adres daarvan in Monaco vermeld. Voorts is bij het artikel van 17 januari 1997 in Het Parool een foto van klager geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat betrokkenen onzorgvuldig jegens hem hebben gehandeld en zijn persoonlijke levenssfeer hebben geschaad door vermelding in de artikelen van onder meer zijn volledige naam, zijn privÇ-adressen in Frankrijk en Monaco, de naam van het door hem geleide bedrijf en het adres daarvan in Monaco, alsmede door het plaatsen van een foto van hem bij het artikel van 17 januari 1997. Volstaan had kunnen en moeten worden met vermelding van de initialen van klager. Er is geen redelijk algemeen belang gediend door het handelen van betrokkenen; dit handelen verhoogt evenmin de nieuwswaarde van de artikelen.

Betrokkenen stellen dat alleen met betrekking tot de bescherming van verdachten en veroordeelden sprake is van een enigszins algemene gedragslijn ten aanzien van de vermelding van initialen of namen. Die leer luidt dat in het algemeen aan initialen de voorkeur moet worden gegeven, tenzij (a) vermelding van de naam essentieel is voor de waarde van het bericht, (b) betrokkene zo bekend is dat anonimisering verbazing of lachlust zal wekken of (c) het noemen van namen opsporingsbelangen dient. Van alle drie genoemde criteria is hier sprake, aldus betrokkenen. Ook de Hoge Raad heeft, aangaande het noemen van namen, het belang van signalering van potentiâle misstanden door de pers erkend, terwijl in het onderhavige geval sprake is van verschillende misstanden. De artikelen zijn derhalve toelaatbaar.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

De Raad merkt vooreerst op dat klager in het verleden zelf de publiciteit heeft gezocht en door eigen toedoen omstreeks 1988 een "public figure" is geworden. Zijn veroordeling tot gevangenisstraf houdt verband met het destijds door hem gekozen en door hem in het openbaar gebrachte leven.

De door betrokkenen gepubliceerde artikelen liggen in het verlengde van het openbare optreden van klager in het verleden en houden daar verband mee. Dit geldt temeer nu klager ten tijde van de publicatie van de eerste van genoemde artikelen nog gevang nisstraf diende uit te zitten. De naam en - mede gelet op het laatstgenoemde - woonplaats(en) van klager zijn dientengevolge van belang voor de nieuwswaarde van de berichtgeving.

Klager heeft voorts kennelijk ervoor gekozen zich publiekelijk te afficheren door op een historisch kasteel te gaan wonen (waarbij klager in de lokale pers een interview heeft gegeven) en niet in een onopvallende woning. Gelet op de daaruit blijkende welstand heeft ook de vermelding van de naam van het kasteel nieuwswaarde.

De Raad is van oordeel dat journalisten niet rechtstreeks een opsporingsbelang dienen. Wel dienen zij mede een algemeen belang, bijvoorbeeld door het signaleren van potentiâle maatschappelijke misstanden. Dit algemeen belang kan in sommige gevallen met zich meebrengen dat publicaties er toe leiden dat gezochte personen worden opgespoord. In het onderhavige geval is het algemeen belang mede gediend door het aan de kaak stellen van de pro- blematiek van "gratie voor geld". De stelling van betrokkenen dat klager gratie heeft verkregen in ruil voor het betalen van een reeds verjaarde belastingaanslag, heeft nadien immers tot het stellen van vragen in de Tweede Kamer geleid.

Op grond van deze overwegingen is de Raad van oordeel dat in redelijkheid in de gewraakte publicaties de naam van klager, zijn (privÇ- en zakelijke) adressen en de namen van het door hem bewoonde kasteel en geleide bedrijf konden worden vermeld. Ook het publiceren van een in het verleden in het openbaar genomen archief-foto bij een van de artikelen kon naar het oordeel van de Raad in redelijkheid plaatsvinden. Betrokkenen hebben zodoende niet gehandeld in strijd met hun journalistieke of maatschappelijke verantwoordelijkheid.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in Het Parool.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 augustus 1997 door prof.
mr. E.C.M. Jurgens, voorzitter, drs.
K.J. van der Zande, H. van Gessel en K. Wiese, leden, in
tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutz-
berg, secretaris.

RvdJ 1997, 26.