1997/25 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

A.J.M. Bense

tegen

EO-Tijdsein

Bij brief van 26 februari 1997, met als bijlage een videoband van het televisieprogramma "Tijdsein" van 15 januari 1997, heeft de heer A.J.M. Bense (klager) een klacht ingediend tegen de redactie van het programma Tijdsein van de Evangelische Omroep (betrokkene). In een brief van 21 april 1997 heeft de heer H.B. Bijleveld, eindredacteur ad interim van EO-Tijdsein, op de klacht gereageerd.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 27 juni 1997. De Raad heeft ter zitting, tezamen met klager en twee leden van de redactie van EO-Tijdsein, de videoband bekeken. Klager en betrokkene hebben vervolgens hun klacht respectievelijk verweer toegelicht.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

EO Tijdsein heeft in een uitzending van 15 januari 1997 aandacht besteed aan de sociale werkvoorziening in Nederland. Aanleiding daartoe was de decentralisatie van financiering van de sociale werkvoorziening van het Rijk naar de gemeenten. Een aantal gemeenten, dat er niet voor voelt de stijgende kosten van de werkvoorziening te dragen, blijkt de productiviteitseisen te verscherpen. Werknemers die vanwege hun handicap minder productief zijn, dreigen daardoor buiten de boot te vallen.

EO Tijdsein heeft ten behoeve van de uitzending opnamen gemaakt bij de firma Montapack, een sociale werkplaats in Amsterdam. De broer van klager, de heer J.(Hans) A.M. Bense is aldaar werkzaam. Hij is door zijn handicap zelf niet in staat zijn belangen te behartigen. Klager is informeel zaakwaarnemer van zijn broer.

Hans Bense was tijdens de uitzending enige tijd in beeld. Tegelijkertijd sprak de begeleider/werkmeester de heer Faber over Hans Bense en - in het kader van de thematiek van het programma - over diens relatief lage werkprestaties, welke overigens door de groep waarin hij werkt collegiaal worden opgevangen.

Klager, een broer van Hans Bense, heeft de heer Faber op diens uitlatingen aangesproken. Deze heeft daarop zijn excuses aan klager aangeboden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat betrokkene de grenzen heeft overschreden van wat gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is. Klager waardeert het dat betrokkene aandacht heeft besteed aan de problematiek, maar stelt dat betrokkene zich had moeten beperken tot het filmen van de productieruimte zonder aandacht te besteden aan de vraag wie van de gefilmde werknemers beneden het gemiddelde presteerden. Het beantwoorden van die vraag had aan de kijker kunnen worden overgelaten. De begeleider, de heer Faber, heeft geen media-training gehad en betreurt thans de door hem gedane uitlatingen. Betrokkene had dat van tevoren moeten beseffen en zowel de heer Faber als de desbetreffende werkne- mers hiertegen behoren te beschermen. In dat verband had betrokkene de reportage voorts tevoren aan de gefilmde personen en hun zaakwaarnemers moeten tonen.

Ter zitting stelde klager dat in het algemeen een chef zich niet tegenover derden negatief over de werkprestatie van een werknemer behoort uit te laten. Voor klager is het een principiĆ¢le kwestie dat een gehandicapte - ook in een geval als deze - als een gewone werknemer dient te worden behandeld.

Betrokkene stelt Hans Bense niet op negatieve wijze te hebben willen portretteren. Het was de redactie juist erom te doen iemand als Hans Bense de mogelijkheid te laten behouden binnen de sociale werkvoorziening te blijven functioneren. Om het beeld voor de kijker indringend te maken is van belang de problematiek niet alleen algemeen aan de orde te stellen, maar ook te tonen wie concreet slachtoffer van de bezuinigingen worden.

Betrokkene erkent haar journalistieke verantwoordelijkheid bij het filmen van kwetsbare groepen, maar meent zorgvuldig te hebben gehandeld. Dit door (a) toestemming voor het filmen te vragen, (b) niemand uitspraken in de mond te leggen die niet gedaan of bedoeld zijn, (c) uitspraken die iemand over een derde doet, redelijkerwijs op betrouwbaarheid te controleren en (d) geen personen nodeloos te schaden door hem of haar belachelijk te maken, onjuist te belichten of anderszins materieel te benadelen. Nu Hans Bense zelf niet in staat is het woord te voeren (en geen gezag voor hem is getroffen) stelt betrokkene dat de redactie in redelijkheid erop mocht vertrouwen dat zijn werkmeester de situatie kon inschatten en voor hem het woord kon doen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

De Raad stelt voorop dat betrokkene met de uitzending over de sociale werkvoorziening op voor de kijkers waarneembare wijze de goede bedoeling heeft gehad de gevolgen van eventuele bezuinigingen in de sociale werkvoorziening zichtbaar te maken. Dit is door klager ook erkend. De vraag waar het om gaat is of betrokkene had behoren te vermijden dat in de reportage individualisering van personen plaatsvond, in het bijzonder van de persoon van Hans Bense, die overigens naar de mening van de Raad in de uitzending op invoelende wijze in beeld werd gebracht.

De Raad is van oordeel dat dergelijke individualisering in het algemeen dient te worden voorkomen. Wel dienen de individuele belangen te worden afgewogen tegen het belang van alle bij de reportage betrokken personen. Aan de behandeling van de problematiek wordt een extra dimensie gegeven door zichtbaar te maken wie concreet door de bezuinigingen worden getroffen, zodat daarmee ook een algemeen belang wordt gediend.

De Raad komt tot de conclusie dat in het onderhavige geval met individualisering van de persoon van Hans Bense niet de grenzen van journalistieke verantwoordelijkheid zijn overschreden. Dit gelet op (a) het algemeen belang dat betrokkene hiermee diende en (b) het feit dat de begeleider/werkmeester van Hans Bense aan deze individualisering meewerkte. Hoewel in het algemeen niet zonder de nodige voorzichtigheid op de toelichting van een begeleider mag worden afgegaan, kon betrokkene dat onder de onderhavige omstandigheden te goeder trouw doen. De strekking van de uitzending - behoud van plaatsen in de sociale werkvoorziening - maakte het onvermijdelijk dat werd ingegaan op de bijzondere positie van de betrokken werknemers. Dat betrokkene de reportage niet op voorhand aan de gefilmde personen en hun zaakwaarnemers hebben laten zien doet daaraan niet af, nog daargelaten dat niet is gebleken of gesteld dat dit tevoren aan betrokkene is gevraagd.

Om voornoemde redenen wordt de klacht ongegrond verklaard.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te geven, zo mogelijk in een uitzending van Tijdsein.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 augustus 1997 door prof.
mr. E.C.M. Jurgens,
voorzitter, drs. K.J. van der Zande, H. van Gessel en K.
Wiese, leden, in tegenwoor-
digheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

RvdJ 1997, 25.