1997/24 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

P.M. Vrijlandt

tegen

de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander

Met een brief van 7 februari 1997 met 12 bijlagen, heeft de heer ir. P.M. Vrijlandt te Hilversum (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander (betrokkene). Hierop is door J.H. van Zenderen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 3 maart 1997. Bij brief van 13 maart jl. heeft betrokkene nog een bijlage overgelegd. Klager heeft vervolgens bij brief van 22 maart 1997 gereageerd onder toezending van 4 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 mei 1997. Klager verscheen in persoon en overhandigde een pleitnotitie. Betrokkene had van tevoren laten weten geen gebruik te zullen maken van de gelegenheid zijn standpunt mondeling toe te lichten. Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden. Klager heeft ter zitting zijn klacht aangevuld. Daarop is betrokkene in de gelegenheid gesteld op deze aanvulling te reageren, hetgeen hij heeft gedaan bij brief van 29 mei 1997.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In het dagblad de Gooi- en Eemlander verschenen de volgende drie op klager betrekking hebbende publicaties:

Op vrijdag 29 november 1996 werd onder de kop 'Vrijlandt klaagt De Vries en Heller aan' melding gemaakt van een procedure bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het Hof zou de daaropvolgende maandag een klacht van klager behandelen tegen het afzien van vervolging van de heren I. de Vries en B. Heller, beiden politiek actief in het Gooi. Zij zouden klager hebben beschuldigd van racisme en fascisme. Het artikel bevatte het commentaar van de heren De Vries en Heller op de klacht.

Op 4 december 1996 berichtte de Gooi- en Eemlander dat De Vries en Heller aan het Gerechtshof een dossier hadden overhandigd met informatie over de extreem rechtse uitlatingen en de rol en de relaties van klager.

Bovendien zou Heller, volgens het bericht, bij die gelegenheid hebben gemeld dat klager zijn moeder en hem anoniem had gebeld en onder een vals voorwendsel privÇ-informatie over hem had gevraagd.

In de Gooi- en Eemlander van 8 maart 1997 verscheen onder de kop 'Hof: beschuldigingen Vrijlandt ongegrond' een bericht over de uitspraak van het Gerechtshof: het beklag van klager zou zijn afgewezen omdat uit de door De Vries en Heller overgelegde gedetailleerde documentatie zou zijn gebleken dat klager banden heeft onderhouden met de Centrum Democraten en met de Nederlandse Volks Unie. Zij hebben die informatie niet vervalst, stelt het Hof. Vrijlandt had dat het Gerechtshof willen laten geloven, maar heeft dat niet aannemelijk kunnen maken, aldus het bericht.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Ten aanzien van de eerstgenoemde publicatie maakt klager bezwaar tegen de volgens hem eenzijdige weergave van de standpunten van De Vries en Heller. Volgens klager heeft de journalist het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. De tweede publicatie bevatte volgens klager behalve ernstige beschuldigingen ook een nieuw gegeven, namelijk dat hij Heller en diens moeder anoniem zou hebben gebeld. Ook hierbij heeft volgens klager geen wederhoor plaatsgevonden. Zijn ingezonden brief aan de Gooi- en Eemlander, waarin hij de achtergronden van het con- flict schetste, werd niet geplaatst. De derde publicatie bevat een volgens klager onjuiste samen- vatting van de uitspraak van het Gerechtshof. Deze uitspraak is door klager aan de Raad overgelegd. De kwestie is hiermee bovendien nog niet afgelopen, want klager heeft zich thans gericht tot de Procureur Generaal van de Hoge Raad der Nederlanden.

Betrokkene stelt dat sprake is van feitelijke berichtgeving, waarbij in verslaggevende zin aandacht is besteed aan de justitile klacht van klager. Gebleken is dat klager zijn beschuldigingen aan het adres van de heren De Vries en Heller niet heeft kunnen waarmaken. Van onjuiste berichtgeving is volgens betrokkene daarom geen sprake. Een reactie van klager op de uitspraak van het Gerechtshof achtte betrokkene niet opportuun.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Ten aanzien van de publicaties van 29 november en 4 december 1996 overweegt de Raad dat deze niet veel meer bevatten dan een weergave van de beschuldigingen van klager aan het adres van de heren De Vries en Heller en van hun reacties op die beschuldigingen. De Raad vindt dat een acceptabele wijze van verslaggeving, aangezien de standpunten van beide partijen worden belicht. Het beginsel van 'hoor en wederhoor' is naar het oordeel van de Raad dan ook niet geschonden, zodat dit onderdeel van de klacht ongegrond wordt geacht. In het artikel van 8 maart 1997 wordt gemeld dat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat de heren De Vries en Heller de overgelegde documentatie niet hebben vervalst en dat klager het tegendeel niet aannemelijk heeft kunnen maken. In de uitspraak staat dat naar het oordeel van het Gerechtshof klager onvoldoende gemotiveerd heeft betoogd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de verspreide informatie (geheel) onjuist is. De Raad is van mening dat het hier om een nuanceverschil gaat, dat niet van dien aard is, dat dit tot een gegrondverklaring van de klacht leidt.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gooi- en Eemlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 juni 1997 door mr. P.J.
Boukema, voorzitter,
H. van Gessel, A.G. Scherphuis en drs K.J. van der Zande,
leden, in tegenwoordigheid van
mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 24.