1997/23 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

Mevrouw R., Familie H.

tegen

RTL/Veronica de Holland Media Groep S.A. en Holland Media
House

Met een brief van 7 mei 1997 met bijlage, waarbij tevens een video-opname werd meegezonden, heeft mr. A.J.F. de Jager, advocaat te Amsterdam, namens mevrouw R., de heer H. en mevrouw H. (klagers) een klacht ingediend tegen omroeporganisatie Veronica en producent Holland Media House (betrokkenen). Hierop is namens betrokkenen door mr. H.G. Bollen, juridische zaken Holland Media Groep, gereageerd in een brief van 12 juni 1997. Vervolgens is namens klagers op 25 juni 1997 een brief van de Vereniging Verkeersslachtoffers met twee bijlagen aan de Raad toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juli 1997, nadat de Raad vooraf de videoband heeft bekeken. Van klagers verscheen mevrouw R. in persoon, bijgestaan door mr. A.J.F. de Jager. Namens betrokkenen verschenen de heren N. Rood en U. Glorie, bijgestaan door mr. H.G. Bollen. Mr. De Jager heeft pleitnotities overgelegd.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klagers zijn nabestaanden van wijlen de heer H., die op 12 april jl. bij een verkeersongeval te Hilversum om het leven is gekomen. Op de plaats van dit ongeval zijn filmopnamen gemaakt voor het televisieprogramma "112-weekend". Dit programma toont het werk van hulpverlenende instanties als politie, brandweer en medisch personeel bij ongevallen en andere gebeurtenissen waarbij de assistentie van hulpdiensten wordt ingeroepen. De productie is in handen van de productiemaatschappij Holland Media House. De opnames zijn op 14 april jl. uitgezonden op de zender Veronica, die gexploiteerd wordt door RTL/Veronica de Holland Media Groep S.A.. In de uitzending waren beelden te zien van het vervoer van het slachtoffer in de lijkauto, van het autowrak en van de inhoud van een koffer van het slachtoffer. Er is geen toestemming voor uitzending gevraagd aan de nabestaanden. Zij zijn door betrokkenen ook niet over de uitzending geinformeerd

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat ten onrechte door betrokkenen is nagelaten toestemming voor de uitzending te verkrijgen van de nabestaanden, dan wel contact met hen op te nemen voorafgaande aan de uitzending. Zij verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Raad in de zaak Ramaker/NCRV (Rivierpolitie) van 4 maart 1997. Klagers zijn voorts van mening dat betrokkenen met de gewraakte uitzending de privacy van de overledene en zijn nabestaanden hebben geschonden. De auto van het slachtoffer was her- kenbaar en zijn persoonlijke bezittingen, waaronder zakelijke bescheiden, waren zichtbaar in beeld. Derden hebben de nabestaanden nog tijdens de uitzending op het programma attent gemaakt. Klagers vragen zich af of de beelden van het vervoer naar de lijkauto nog binnen de grenzen van goede smaak vallen. Klaagster sub 1, de vriendin van de overledene, heeft in een brief aan betrokkenen haar bezwaren tegen de uitzending uiteengezet, waarop een volgens klagers onbevredigende reactie is gekomen. De Vereniging Verkeersslachtoffers heeft aan de Raad een brief gestuurd, waarin zij te kennen geeft de klacht van klagers ten zeerste te ondersteunen.

Betrokkenen merken ten aanzien van de totstandkoming en inhoud van het programma "112- Weekend" in zijn algemeenheid op, dat zij geen afspraken hebben gemaakt met politie, brand- weer en andere hulpdiensten. Volgens betrokkenen worden bij het maken van het programma de bij een ongeval betrokken personen onherkenbaar in beeld gebracht, tenzij zij v""r de uitzending hebben aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben herkenbaar geportretteerd te worden. In dit geval kon de redactie van het programma de nabestaanden niet op de hoogte stellen, omdat de politie de identiteit van slachtoffer en nabestaanden niet bekend had gemaakt. De redactie ging - naar later bleek ten onrechte - ervan uit dat de nabestaanden via de politie of via andere bij het ongeval betrokken personen van de opnamen zouden vernemen. Betrokkenen betreuren de gang van zaken. Zij menen dat het op hun weg had gelegen de nabestaanden op de hoogte te stellen van de voorgenomen uitzending, althans dat zij hadden moeten verifi ren of dit bijvoorbeeld door de politie was gedaan. Betrokkenen bestrijden dat zij toestemming van de nabestaanden nodig zouden hebben. De belangen van de nabestaanden spelen een zwaarwegende rol, maar zijn niet altijd doorslaggevend, aldus betrokkenen. Zij menen bovendien dat een toestemmingsvereiste in de praktijk niet werkbaar is. De identiteit van de nabestaanden zal niet altijd bekend zijn bij de programmamakers. Ook is moeilijk vast te stellen wie precies tot de kring van nabestaanden behoort aan wie toestemming gevraagd zou moeten worden. Betrokkenen bestrijden eveneens, dat zij de privacy van het slachtoffer c.q. de nabestaanden hebben geschonden. Hoewel door het tonen van de auto en het noemen van andere feiten voor een aantal mensen duidelijk is geweest om welk ongeval het ging, is het slachtoffer volgens betrokkenen voldoende geanonimiseerd. De getoonde inhoud van zijn koffertje bevatte geen privacy-gevoelige zaken. Tenslotte menen betrokkenen dat zij de grenzen van goede smaak niet hebben overschreden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat betrokkenen zich in ieder geval ervan hadden behoren te vergewissen dat klagers tevoren over de uitzending waren ingelicht. Betrokkenen hebben inmiddels erkend dat op hen de plicht rust nabestaanden van het slachtoffer tevoren over de uitzending te informeren en dat zij dat in dit geval ten onrechte niet hebben gedaan. Betrokkenen hebben toegezegd ervoor zorg te dragen dat dit in het vervolg op correcte wijze zal geschieden.

Ten aanzien van de vraag of betrokkenen ook tevoren toestemming van de nabestaanden hadden behoren te vragen, oordeelt de Raad als volgt. De Raad overweegt allereerst dat het programma "112-Weekend"n nieuws- of actualiteitenprogramma betreft, hetgeen door be- trokkenen ook is erkend. Onder die omstandigheden behoort naar het oordeel van de Raad in beginsel vooraf toestemming voor uitzending aan nabestaanden te worden gevraagd, tenzij het algemeen belang dat met uitzending gemoeid is voldoende opweegt tegen de persoonlijke belangen van nabestaanden en er geen andere mogelijkheden zijn om de betreffende problema- tiek aan de orde te stellen. In het hier aan de orde zijnde geval wegen naar het oordeel van de Raad het algemeen belang en het eventuele educatieve doel van de uitzending niet voldoende op tegen de persoonlijke belangen van de nabestaanden. Betrokkenen hebben derhalve ten onrechte geen toestemming voor de uitzending aan klagers gevraagd, zodat dit onderdeel van de klacht gegrond is.

Klagers hebben voorts gesteld dat betrokkenen in de uitzending van "112-Weekend" elementai- re eisen van privacy en goede smaak hebben geschonden. De Raad is die mening niet toegedaan. Hij is van oordeel dat de uitzending inhoudelijk voldoende sober is gehouden. Het slachtoffer is niet in beeld gebracht; uitsluitend getoond zijn (kort en van een afstand) de lijkauto, het autowrak (waarvan geen nummerbord in beeld is geweest) en de koffer van het slachtoffer. De koffer bevatte naar het oordeel van de Raad niet dusdanig privacy-gevoelige zaken - voornamelijk zakelijke brochures - dat het kort uitzenden van beelden waarop de hulp- diensten deze koffer openen voor identificatiedoeleinden, in strijd met elementaire eisen van privacy moet worden geacht. Hoewel klaagster sub 1 ter zitting heeft gesteld dat het autowrak herkenbaar was als de auto van het slachtoffer, acht de Raad ook een autowrak niet dusdanig privacy-gevoelig dat het tonen van beelden daarvan in strijd met de eisen van privacy en goede smaak moet worden geoordeeld. Het tweede onderdeel van de klacht wordt om al deze redenen ongegrond bevonden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht deels gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma "112-Weekend".

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 september 1997, door drs. M.W.M. Vos-van Gortel, voorzitter, J.A. Koerts, W.F. de Pagter en A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

RvdJ 1997, 23