1997/22 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

A.L. van der Maas

tegen

J. de Haas, C. Sanders en Dagblad De Telegraaf

In een brief van 6 maart 1997 met als bijlage een artikel uit De Telegraaf van 20 februari 1997 heeft de heer A.L. van der Maas (klager) een klacht ingediend tegen de heren J. de Haas en C. Sanders en de hoofdredactie van Dagblad De Telegraaf (betrokkenen). In een brief van 17 april 1997 heeft de hoofdredactie van De Telegraaf laten weten geen aanleiding te zien om inhoudelijk op deze klacht te reageren. Klager heeft bij brief van 5 mei 1997 met twee bijlagen nog een aanvulling op de klacht gegeven.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke afhandeling van de klacht.

DE FEITEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten.

Betrokkenen hebben in De Telegraaf van 20 februari 1997 een artikel gepubliceerd onder de kop "De tentakels van de Tamils". In dit artikel - gepubliceerd naar aanleiding van de asielaanvraag van 173 Tamils die in februari 1997 per vliegtuig in Nederland arriveerden - is onder meer aan de orde gesteld dat in Nederland veel groeperingen actief zijn ("... een omvangrijk netwerk van harde Nederlandse activisten") die steun verlenen aan vluchtelingen uit Sri Lanka. In het artikel is klager geciteerd in zijn hoedanigheid van coîrdinator van het Platform Solidariteitsgroepen Tamils Nederland. Ook is onder meer melding gemaakt van door het Platform aan KLM en Air Lanka verzonden brieven, alsmede van een intern memo van het Platform van de hand van klager betreffende het beleid van staatssecretaris van Justitie Kosto. Daarbij is tevens aan de bomaanslag op de woning van de heer Kosto en aan de actiegroep RaRa gerefereerd. Voorts zijn in het artikel diverse geruchten vermeld, zoals het beweerdelijk gerucht dat de Tamil-top plannen zou hebben ontwikkeld in Nederland een regering in ballingschap te vormen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel een onjuist beeld schetst van de situatie, mede nu sprake is van feitelijke onjuistheden en insinuaties, waarbij de suggestie wordt gewekt dat het Platform, dat principieel geweldloos is, in verband kan worden gebracht met terreuracties en welke suggestie wordt ondersteund door de koppen en de opmaak. Hierdoor is klager's goede naam geschaad. Betrokkenen hebben volgens klager de grenzen overschreden van wat gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

Betrokkenen hebben niet inhoudelijk op de klacht gereageerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

De Raad overweegt dat de afzonderlijke onderdelen van het artikel op zichzelf beschouwd niet feitelijk onjuist zijn, althans niet op andere dan eventueel ondergeschikte punten. De conclusies die betrokkenen uit deze feiten menen te kunnen trekken, laat de Raad voor rekening van betrokkenen. Uit de stukken leidt de Raad af dat betrokkenen klager hebben benaderd om op de inhoud van het artikel te reageren en dat klager betrokkenen te woord heeft gestaan.

De Raad onderkent dat van de achtereenvolgende vermelding van het Platform, RaRa, het interne memo van klager en de bomaanslag op de woning van staatssecretaris Kosto een suggestieve werking uitgaat, maar vindt niet dat er een zodanig dwingend causaal verband wordt gelegd dat de grenzen van hetgeen journalistiek en maatschappelijk toelaatbaar is, zijn overschreden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in Dagblad De Telegraaf.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 augustus 1997 door prof.
mr. E.C.M. Jurgens,
voorzitter, drs. K.J. van der Zande, H. van Gessel en K.
Wiese, leden, in tegenwoor-
digheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

RvdJ 1997, 22.