1997/20 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

Anti Discriminatie Buro te Schiedam

 

 

tegen

 

 

T. van Gogh en T. Holman

 

 

 

 

In een brief van 17 maart 1997, met als bijlagen een column uit het weekblad Nieuwe Revu van begin maart 1997 en een column van 8 december 1995 uit het weekblad HP/De Tijd, heeft het Anti Discriminatie Buro te Schiedam (klager) een klacht ingediend tegen de heer Theo van Gogh (betrokkene sub 1) en de heer Theodor Holman (betrokkene sub 2).

 

Betrokkenen hebben op de klacht niet gereageerd. Klager heeft ingestemd met een schriftelijke afhandeling van de klacht.

 

 

 

 

 

DE FEITEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten.

 

Betrokkenen verzorgen wekelijks een rubriek onder de naam "Theo & Theo" ten behoeve van het weekblad Nieuwe Revu. Begin maart 1997 is in deze rubriek een column opgenomen onder de kop "Een lul van ÇÇn meter tachtig. Allah is groot, Allah is machtig".

 

 

Betrokkene sub 1 heeft in de uitgave van 8 december 1995 van het weekblad HP/De Tijd eveneens een column verzorgd onder de kop "Leve de islam!" Daarin zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

 

 

- "In hoeverre moet je blijven praten met gelovigen bij wie jij als eerste in aanmerking komt om voor hun gedroomde vuurpeleton de zegeningen van Allah te ondergaan?"

 

 

- "Ik heb geen flauw idee of de hierboven beschreven Marokkaanse moeders van fundamentalistische huize zijn. Voor het gemak ga ik er even van uit dat zij het verlichte deel van de Marokkaanse natie vertegenwoordigen; als zij het groene blaadje waren, hoe dor is dan wel niet het kreupelhout van de islam?"

 

 

- "Wat heeft Van Dis te schaften met gelovigen die flikkers 'onrein' vinden, net als ongestelde vrouwen, ongelovigen of alle anderen die niet aan de normen voldeden van die geitenneuker uit Mekka?"

 

 

- "Waarom gaat Allah's fanclub dan niet gezellig naar huis, naar eigen land, om Van Dis en mij te haten? Vrije meningsuiting is een groot goed dat ook geldt voor boodschappers van de achterlijkste duisternis. Op de dag dat Van Dis zou worden opgeknoopt door rechtzinnige moslims zal ik hem gelijk geven (..). Maar wie 'in dialoog' wil met zijn potentiële moordenaars, mijn zegen heb je."

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt zich op het standpunt dat het betitelen van Allah als "lul", alsmede de hiervoor geciteerde passages beledigend zijn voor een groep mensen wegens hun godsdienst, in dit geval voor moslims. Klager meent dat hiermee de grenzen van de journalistieke vrijheid zijn overschreden.

 

Betrokkenen hebben niet op de klacht gereageerd.

 

 

 

 

ONTVANKELIJKHEID

De Raad overweegt dat de klacht is ingediend door een organisatie die zich uitdrukkelijk de bestrijding van discriminatie ten doel heeft gesteld. Gelet op dat doel kan klager in de klacht worden ontvangen ook nu deze niet mede door een rechtstreeks belanghebbende is ingediend.

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

 

De Raad stelt voorop zich te kunnen voorstellen dat de gewraakte teksten als beledigend worden ervaren door moslims, al keren de teksten zich naar zijn oordeel niet tegen de Islam maar tegen fundamentalisten.

 

 

De Raad overweegt dat het in beginsel tot de journalistieke verantwoordelijkheid behoort het publiceren van kwetsende teksten achterwege te laten. De Raad overweegt echter tevens dat de gewraakte teksten zijn gepubliceerd in de vorm van een in dit geval kennelijk als satire opgezette column, waarin onder meer overdrijving als stijlmiddel wordt gehanteerd. In die situatie kunnen journalisten zich verdergaande uitlatingen permitteren dan onder normale omstandigheden, mits voor de lezers kenbaar en duidelijk is dat de teksten in de vorm van een column zijn geschreven en in die sfeer moeten worden gelezen. De aard van het tijdschrift waarin de column is gepubliceerd kan bij die beoordeling mede van belang zijn. Desondanks is het onvermijdelijk dat een satire door hen die deze geheel serieus nemen als kwetsend kan worden ervaren.

 

 

In het hier aan de orde zijnde geval moet het naar het oordeel van de Raad voor de lezers van Nieuwe Revu en van HP/De Tijd duidelijk zijn dat er sprake is van zo'n satirische column, alsmede dat de gewraakte teksten in die context moeten worden gelezen. Om die reden is de Raad van oordeel dat betrokkenen de grenzen niet hebben overschreden van wat gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

 

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in het weekblad Nieuwe Revu en/of het weekblad HP/De Tijd.

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 augustus 1997 door prof. mr. E.C.M. Jurgens, voorzitter,
drs. K.J. van der Zande, H. van Gessel en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

 

 

 

 

 

 

RvdJ 1997, 20.