1997/18 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Dulfer

tegen

H. Invernizzi en Dagblad Flevoland

Bij brief van 29 januari 1997 met vijf bijlagen heeft de heer H. Dulfer (klager) een klacht ingediend tegen H. Invernizzi, journalist bij het Dagblad Flevoland en tegen het Dagblad Flevoland (betrokkenen). Bij brief van 6 februari 1997 heeft klager de klacht nader aangevuld. De heer J. Bartelds, hoofdredacteur van De Zwolse Courant en van Dagblad Flevoland, heeft in een brief van 5 maart 1997 met twee bijlagen namens betrokkenen op de klacht gereageerd. Klager heeft nadien nog gereageerd in een brief van 12 maart 1997 en betrokkenen in een brief van 25 maart 1997.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 april 1997. Klager heeft op de zitting zijn klacht toegelicht; betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op vrijdag 24 januari 1997 heeft klager met zijn band een optreden verzorgd in cultureel centrum De Voorveghter te Hardenberg. Dit optreden was getiteld "Talking Jazz". Schriftelijk overeengekomen was dat het optreden twee keer 45 minuten zou duren.

Op genoemde datum was in een groot deel van het land sprake van ernstige mist, waardoor het verkeer veel hinder ondervond. De leden van de band van klager waren ten tijde van de aanvang van het optreden nog niet aanwezig. Klager heeft vanaf de aanvang van het optreden tot aan de pauze een uur lang uitsluitend over jazz gesproken; eerst na de pauze -toen ook de bandleden waren gearriveerd- hebben klager en zijn band muziek gespeeld. Zij hebben circa een uur opgetreden en zijn nadien nog een keer uit de kleedkamer teruggekomen voor het spelen van een toegift.

Invernizzi heeft het optreden in het Dagblad Flevoland van 27 januari 1997 gerecenseerd onder de kop "Dulfer gaat mist in door z'n kapsones".

In dit artikel zijn onder meer de navolgende passages opgenomen:

a. "Wanneer zijn complete band vastzit in door de mist veroorzaakte files stapt Dulfer in zijn eentje het podium op en kletst een uur lang onderhoudend over jazz. Een excuus acht hij overbodig."

b. "(..) En dan toont Dulfer zijn ware gezicht. Na een uur houdt hij het voor gezien. Waarom? Omdat ze niet vanaf het eerste nummer enthousiast genoeg hebben gereageerd. En al die open doekjes dan en die staande ovatie? Wat een kapsones!"

c. "(..) Voorveghter-directeur Jan Kroezen deed nog verwoede pogingen de band tot toegiften te bewegen. Dat feest ging niet door. Ten einde raad maakte Kroezen er nog het beste door het publiek een gratis drankje aan te bieden, maar de kater was niet meer weg te poetsen."
Klager heeft de hoofdredacteur van Dagblad Flevoland gevraagd zich in een (hoofd)redactionele mededeling te distantiëren van het artikel en van de daarbij gebruikte kop. Nadat deze klager daarop had bericht daartoe niet bereid te zijn, heeft klager de onderhavige klacht ingediend.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt voorop dat hij zich realiseert dat een recensent recht heeft op vrije meningsvorming en -uiting, ook als die mening subjectief is. Waar echter die mening wordt onderbouwd met vermeende "feiten" die in werkelijkheid niet juist zijn, handelt een recensent in strijd met zijn journalistieke verantwoordelijkheid. Doordat in het artikel de mening van de recensent wordt onderbouwd met onjuiste "feiten", krijgt de subjectieve mening van de recensent een geheel andere lading dan wanneer hij uitsluitend zijn mening had gepresenteerd.

Klager stoort zich in dit verband met name aan de hiervoor geciteerde passages. Ten aanzien van citaat (a) merkt klager op dat onjuist is dat hij zijn excuus had moeten aanbieden voor het feit dat hij voor de pauze uitsluitend over jazz heeft gesproken in plaats van te spelen. Het programma was immers getiteld "Talkin' jazz" en afgesproken was dat hij de helft van de tijd over jazz zou spreken en de helft van de tijd muziek zou spelen. Hij mocht daar zelf invulling aan geven en heeft daarover zelfs nog overleg gevoerd met een medewerker van De Voorveghter.
Wat betreft citaat (b) wijst klager erop dat Invernizzi hier een vraag opwerpt, deze vervolgens zelf beantwoordt - zonder de vraag aan klager te hebben voorgelegd - en tenslotte het antwoord kritiseert. Een dergelijke vorm van journalistiek geeft geen pas.

Het citaat onder (c) is onjuist nu klager wel degelijk een toegift gespeeld heeft, hetgeen betrokkenen in de brief van 5 maart 1997 in feite ook hebben erkend.
Klager verwijt Invernizzi een en ander mede omdat Invernizzi niet de moeite heeft genomen hem in de pauze of na het optreden te benaderen met eventuele vragen.

Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat een recensie per definitie persoonlijk en subjectief is, alsmede dat Invernizzi over "bewezen vakmanschap" beschikt. Bovendien stellen betrokkenen dat noch uit de programma-informatie, noch uit het contract tussen klager en De Voorveghter overtuigend blijkt dat de kritiek van Invernizzi op de opbouw van het programma niet terecht is. Tot slot menen betrokkenen dat Invernizzi in zijn recensie geen "foute, bewust foute en verzonnen feiten" heeft gebruikt en dat Invernizzi niet het recht mag worden ontzegd op grond van zijn waarneming en de bij hem en het publiek gewekte verwachtingen negatief te oordelen over de geleverde prestatie, over klagers professionaliteit en diens houding tegenover het publiek tijdens de voorstelling. Per saldo menen betrokkenen dat Invernizzi geen journalistiek laakbaar gedrag kan worden verweten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

Terecht stellen zowel klager als betrokkenen de vrijheid van meningsvorming en -uiting voorop. Recensies bevatten dan ook als regel een subjectief oordeel van de recensent en worden doorgaans ook door het publiek als zodanig gelezen.

De Raad is echter met klager van mening dat wanneer in een recensie feiten worden gepresenteerd, de journalist zich ervan moet vergewissen dat de door hem gepresenteerde feiten ook werkelijk juist zijn. De Raad is van oordeel dat een dergelijk onderzoek hier onvoldoende heeft plaatsgevonden. Immers, gelet op de in het contract tussen klager en De Voorveghter weergegeven titel van het programma, komt de door klager geschetste reden voor het feit dat hij voor de pauze uitsluitend over jazz gesproken heeft, zonder daarbij muziek te maken, de Raad niet onaannemelijk voor. Voorts berust de door Invernizzi weergegeven reden waarom klager "het na een uur voor gezien hield", te weten dat het publiek niet enthousiast genoeg zou reageren, louter op een veronderstelling. Die veronderstelling negeerde het gegeven dat contractueel slechts een optreden van 2 x 45 minuten was vastgelegd.
Dat geen toegiften zijn gespeeld is onjuist nu klager in ieder geval één toegift heeft gespeeld. Een en ander klemt te meer nu Invernizzi klager eenvoudig had kunnen aanspreken teneinde zijn veronderstellingen te verifiëren.

De Raad is om voornoemde redenen van oordeel dat betrokkenen de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is en de klacht gegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in het Dagblad Flevoland.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 mei 1997 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter,
mr. G. Dullens, M.J. Kes, W.H.K. Ammerlaan en J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1997, 18.