1997/15 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.C.M. de Kroon

tegen

H. Korver en R. Couwenhoven (De Telegraaf)

In een brief van 29 november 1996, met 4 bijlagen, heeft mevrouw M.C.M. de Kroon te Wassenaar (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalisten H. Korver en
R. Couwenhoven, beide werkzaam bij het dagblad De Telegraaf (betrokkenen).
Hierop is door betrokkenen gereageerd in een brief van 17 december 1996. Klaagster heeft vervolgens gereageerd in een brief van 23 december 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 maart 1997. Partijen hadden van tevoren laten weten geen gebruik te zullen maken van de gelegenheid om hun standpunten mondeling toe te lichten.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Klaagster is verwikkeld geweest in een echtscheidingsprocedure, waarna de ex-echtgenoten tot op heden met elkaar in conflict zijn gebleven. De Telegraaf publiceerde op 9 november 1996 een paginagroot artikel over de conflicten tussen klaagster en haar voormalig echtgenoot, onder de kop Scheidingsgevecht tot aan de Hoge Raad... en de subkop Kernfysicus en topjuriste maken elkaar al elf jaar het leven zuur. Bij het artikel werden een foto van de ex-echtgenoot en een foto van klaagster gepubliceerd. Ook werd een aan klaagster persoonlijk gerichte brief afgedrukt, afkomstig van de president van de Hoge Raad. Klaagster is enige jaren werkzaam geweest bij de Hoge Raad.
In het artikel worden de juridische procedures tussen klaagster en haar ex-echtgenoot breed uitgemeten, waarbij ook melding wordt gemaakt van het feit dat hun oudste zoon na een bromfietsongeluk om het leven kwam. De ex-echtgenoot en diens advocaat worden herhaaldelijk geciteerd. Eerstgenoemde beschuldigt klaagster ervan in de procedure misbruik te hebben gemaakt van haar positie bij de Hoge Raad. Betrokkenen hebben ter voorbereiding van de publicatie aan de advocaat van klaagster een aantal vragen voorgelegd, die door hem zijn beantwoord. De tekst van het artikel is vóór publicatie aan klaagster ter inzage gegeven en vervolgens op enkele punten aangepast.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster is van mening dat betrokkenen zonder nader onderzoek tot publicatie van een smadelijk artikel zijn overgegaan, dat geen betrouwbare nieuwswaarde heeft. Zij hebben zich volgens klaagster laten gebruiken door haar ex-echtgenoot, zonder rekening te houden met de belangen van degenen die in het artikel in een kwaad daglicht worden gesteld.
Voorts verwijt klaagster betrokkenen dat zij op haar eis om het bromfietsongeluk van haar zoon buiten het artikel te houden, niet zijn ingegaan. Klaagster en haar jongste zoon zouden door de passage onnodig zijn gekwetst. Weglating van de betreffende passage zou geen afbreuk hebben gedaan aan het betoog.
Voor plaatsing van de foto van klaagster en van de persoonlijk aan haar gerichte brief, waarin haar adres vermeld staat, heeft zij geen toestemming gegeven. Volgens klaagster hebben betrokkenen daarmee een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Zij is sinds de publicatie al enkele malen op straat aangesproken en aan haar huisadres lastiggevallen. Nu bovendien niet is vermeld, dat de foto en de brief van haar ex-echtgenoot zijn verkregen, wordt de indruk gewekt dat het artikel met haar medewerking en instemming is gepubliceerd, hetgeen volgens klaagster beslist niet het geval is. De enige reden waarom haar advocaat de door betrokkenen gestelde vragen heeft beantwoord, is om te proberen de schade te beperken.

Betrokkenen stellen dat zij het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor hebben toegepast, door het artikel voorafgaand aan publicatie aan klaagsters advocaat voor te leggen. Vrijwel alle door klaagster gewenste wijzigingen zouden zijn aangebracht. De mededeling over de dood van haar zoon werd gehandhaafd, omdat betrokkenen dit essentieel achtten voor de dramatische situatie waarin beide ex-echtelieden zich bevonden. Het artikel is volgens betrokkenen geschreven aan de hand van stukken die door klaagster in de diverse juridische procedures zijn ingebracht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt volgens de Raad uiteen in de volgende onderdelen:

1. Betrokkenen zouden onvoldoende onderzoek hebben verricht, ten gevolge waarvan een volgens klaagster smadelijk artikel is gepubliceerd.
2. Publicatie van de voor klaagster kwetsende passage over het brommerongeluk had achterwege moeten blijven.
3. Door publicatie van de foto en van de persoonlijke brief, met het adres van klaagster, is volgens klaagster inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Door na te laten de herkomst van dit materiaal te vermelden zou bovendien de indruk zijn gewekt dat klaagster aan de totstandkoming van het artikel heeft meegewerkt.

Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht overweegt de Raad als volgt:
Voorafgaand aan de publicatie van het artikel is contact geweest met de advocaat van klaagster. Daarbij is aan hem een aantal vragen voorgelegd, die hij heeft beantwoord. De tekst van het artikel is voorafgaand aan publicatie aan klaagster voorgelegd, waarna een aantal door haar voorgestelde wijzigingen is aangebracht. De Raad kan op grond van de hem voorgelegde gegevens niet tot het oordeel komen dat er onvoldoende onderzoek is gedaan door betrokkenen. Voor zover geklaagd wordt over het smadelijk karakter van het artikel, acht de Raad de klacht te algemeen geformuleerd om zich daarover te kunnen uitspreken. Dit klachtonderdeel acht de Raad mitsdien ongegrond.

Ook het tweede onderdeel van de klacht acht de Raad ongegrond. De vermelding van het bromfietsongeluk in het artikel is een journalistieke keuze, die door betrokkenen is gemotiveerd. De wijze waarop de gebeurtenis wordt beschreven ("Het drama werd nog groter, toen één van de twee zoons op tragische wijze om het leven kwam na een bromfietsongeluk") acht de Raad - hoe pijnlijk het ook voor klaagster moet zijn om aan dit tragische feit te worden herinnerd - niet onnodig grievend ten aanzien van klaagster.

Met het zonder haar toestemming publiceren van de foto en de aan klaagster gerichte brief waarop haar huisadres vermeld stond, zijn naar het oordeel van de Raad de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Die verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat de persoonlijke levenssfeer van de personen waarover wordt gepubliceerd niet verder wordt aangetast dan in het kader van een open berichtgeving redelijkerwijs nodig is.
De foto en de bekendmaking van het adres dragen in belangrijke mate bij aan de identificeerbaarheid van klaagster. Zij ondervindt daardoor, vanwege de aantasting van haar persoonlijke levenssfeer, naar het oordeel van de Raad een onevenredig nadeel. Bovendien is de publicatie van haar foto en huisadres niet als een voor de aard van de onderhavige berichtgeving noodzakelijk onderdeel te beschouwen.
Hoewel in de publicatie wordt gesuggereerd dat klaagster misbruik zou hebben gemaakt van haar functie als werkneemster bij de Hoge Raad, behoort zij niet tot de categorie publieke personen die zich een grotere aantasting van hun persoonlijke levenssfeer moet laten welgevallen dan 'gewone' burgers.
Daarbij komt dat bij minder nauwkeurige waarneming van de geboden informatie de indruk zou kunnen ontstaan dat klaagster de foto en de brief zelf ter beschikking heeft gesteld van de krant.
Het derde onderdeel van de klacht acht de Raad dan ook gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 april 1997 door mr E.C.M. Jurgens, voorzitter, mr. V. Keur, W.F. de Pagter en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van
mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1997, 15.