1997/14 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.K. Nieuwenhuis

tegen

S. Huygens (De Telegraaf)

In een brief van 10 januari 1997, met 4 bijlagen, heeft de heer R.K. Nieuwenhuis te Almere-stad (klager) een klacht ingediend tegen de journalist S. Huygens, werkzaam bij De Telegraaf (betrokkene).
Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 4 februari 1997 met 4 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 maart 1997. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hun standpunten mondeling toe te lichten.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene is mede-organisator van de verkiezing van de zakenvrouw van het jaar. Op 12 oktober 1996 schreef hij in zijn vaste rubriek in de Telegraaf, het Stan Huygens Journaal, over een bijeenkomst van de zakenvrouwen van de afgelopen 15 jaar. Daarin werd melding gemaakt van een publicatie in een plaatselijk blad over een arbeidsgeschil dat de laatste zakenvrouw van het jaar, mevrouw M. Vreeswijk, met één van haar employés zou hebben.
Klager heeft naar aanleiding van dit artikel een ingezonden brief aan de redactie gestuurd, waarin hij kritiek levert op de keuze van de jury en op mevrouw Vreeswijk. Klager was op dat moment in dienst bij het bedrijf van mevrouw Vreeswijk. Betrokkene heeft schriftelijk op de brief gereageerd en klager enkele vragen gesteld. Die vragen zijn door hem beantwoord.
De eerste brief van klager is vervolgens door zijn werkgeefster als productie overgelegd in een Kantongerechtsprocedure, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met klager.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen het feit dat betrokkene zonder zijn toestemming en zonder overleg zijn brief heeft doorgespeeld aan de advocaat van zijn werkgeefster. Hij vindt dit ongepast.

Betrokkene ontkent de brief van klager naar de advocaat van diens werkgeefster te hebben gestuurd. De brief is wel besproken op de vergaderingen van de jury voor de verkiezing van de zakenvrouw van het jaar, waarbij kopieën van de brieven van klager bij de agenda waren gevoegd. Betrokkene acht bespreking van de brief een kwestie van hoor en wederhoor. Boven de bewuste brief stond niet 'vertrouwelijk'. Bovendien zou klager ook op andere wijze publiciteit gezocht hebben met zijn beschuldigingen aan het adres van mevrouw Vreeswijk.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Geklaagd wordt over het vermeende feit, dat betrokkene de brief van klager heeft doorgespeeld naar de advocaat van diens werkgeefster. Betrokkene ontkent de brief te hebben doorgestuurd. Voor zover betrokkene al verantwoordelijk gehouden kan worden voor de verspreiding van de brief, zodat die bij de advocaat terecht kwam, oordeelt de Raad als volgt:
De brief van klager was niet vertrouwelijk, doch gericht aan een journalist, van wie bij klager bekend was dat hij mede-organisator was van de verkiezing van de zakenvrouw van het jaar. Daarmee heeft klager het risico genomen dat betrokkene de brief in het kader van hoor en wederhoor aan de jury c.q. mevrouw Vreeswijk ter commentaar zou overleggen en dat de brief dus ook bij zijn werkgeefster terecht zou komen.
De Raad acht de handelwijze van de journalist niet laakbaar.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 april 1997 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, mw. mr. V. Keur, W.F. de Pagter en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 14.