1997/12 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Pro Primates-vakbond voor apen

tegen

de hoofdredacteur van het NRC Handelsblad

In brieven van 6 juli, 19 november, 21 november en 27 november 1996, met in totaal 14 bijlagen, heeft de heer I. Spruit, in zijn hoedanigheid van directeur van de Stichting Pro Primates te Leiden (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het NRC Handelsblad (betrokkene).
Hierop is door mr F.E. Jensma, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 12 december 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 maart 1997. Namens klaagster verschenen de heren I. Spruit, directeur en M. de Bruin, voorzitter van Stichting Pro Primates. Betrokkene verscheen in persoon.
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De Stichting Pro Primates-vakbond voor apen, heeft blijkens haar statuten ten doel: de behartiging van de belangen van non-humane primaten over de hele wereld en in het bijzonder in Nederland.
In het NRC Handelsblad heeft op 28 juni 1993 een bericht gestaan over een lezing waarin de internationaal vermaarde apenexpert Jane Goodall waarschuwde tegen experimentele beenmergtransplantaties, waarbij beenmerg van chimpansees zou worden getransplanteerd naar aids-patiƫnten.
Het bericht eindigt met een weergave van de opvatting van klaagster, die genoemde experimenten onaanvaardbaar vindt.
Het NRC Handelsblad publiceerde in februari 1996 een ingezonden brief van prof. dr. D.W. van Bekkum, die daarin reageerde op een op 22 februari gepubliceerd artikel in die krant over xenotransplantatie, transplantatie van dierlijke organen in een mensenlichaam. In zijn brief noemt hij het bestaan van plannen tot het gebruik van chimpansees voor medisch onderzoek. De volgende passage in de brief is voor de klacht relevant:
Toen enkele jaren geleden deze plannen bekend werden, hebben anti-vivisectionisten Jane Goodall gemobiliseerd om ertegen te protesteren. Als de behandeling succes heeft zouden chimpansees worden uitgeroeid zo vreesden zij. Een soort complot dus van dokters en aids-patiƫnten om de kip met de gouden eieren op te eten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster heeft bezwaren tegen de inhoud van de gepubliceerde brief. Daarin wordt volgens haar verwezen naar het bericht in NRC Handelsblad uit 1993, zodat voor degenen die de discussie over xenotransplantatie hebben gevolgd duidelijk is dat met 'anti-vivisectionisten' onder anderen klaagster wordt bedoeld. De heer Spruit heeft contact opgenomen met een redacteur van de krant en verzocht hem de gelegenheid te geven tot een weerwoord. De betrokken redacteur zou hem dat hebben geweigerd.

Betrokkene stelt dat de redactie heeft geoordeeld, dat het debat in de krant voor dat moment voldoende was behandeld. Wie deelneemt aan een maatschappelijk debat, dient als risico te aanvaarden dat men wordt tegengesproken, aldus betrokkene. Klaagster heeft geen schriftelijk voorstel voor een weerwoord ingediend. Betrokkene sluit niet uit dat een ingezonden brief van klaagster toch zou zijn opgenomen. Klaagster heeft zich naar aanleiding van de negatieve reactie van de redacteur niet tot de hoofdredacteur gewend, die mogelijk nog anders had kunnen besluiten. Overigens vindt betrokkene dat het verband tussen de passage in de ingezonden brief en klaagster ver te zoeken is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Geklaagd wordt over het feit dat betrokkene aan klaagster geen gelegenheid tot een weerwoord heeft gegeven, naar aanleiding van een ingezonden brief waarin klaagster een persoonlijke belastering meent te lezen.
Allereerst stelt de Raad vast dat van een formele weigering van een weerwoord geen sprake is. Klaagster heeft slechts uit contacten met de redactie afgeleid dat het schrijven van een weerwoord geen zin had.
In het algemeen is de Raad van oordeel dat aan de redactie een grote mate van vrijheid toekomt om te bepalen of ingezonden stukken behoren te worden geplaatst. In dit geval wordt klaagster niet met name genoemd en is het verband tussen de gewraakte passage en klaagster zo gering te achten, dat een weerwoord middels een ingezonden brief niet voor de hand ligt.
De Raad is derhalve van oordeel dat met een weigering geen grenzen van journalistieke verantwoordelijkheid zijn overschreden.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 april 1997 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, mw. mr. V. Keur, W.F. de Pagter en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1997, 12.