1997/11 ongegrond

Beslissing van de Raad de Journalistiek
inzake de klacht van

W. Oltmans

tegen

A. Olgun

In een brief van 15 juli 1996, aangevuld met een brief van 11 augustus 1996, heeft de heer W. Oltmans te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen journalist A. Olgun (betrokkene).
Hierop is door de heer Olgun gereageerd in een brief van 13 september 1996.

De zaak is ter zitting van de Raad van 15 november 1996 aan de orde gekomen. Klager was daarbij aanwezig, betrokkene was niet verschenen. Ter zitting bleek dat klager zijn klacht wenste uit te breiden. De Raad heeft daarop de behandeling van de klacht aangehouden. Klager heeft bij brief van 20 november 1996 zijn klacht schriftelijk aangevuld. Betrokkene heeft met een brief van 16 december 1996, onder overlegging van een bandopname, daarop gereageerd. Vervolgens is de zaak behandeld ter zitting van de Raad van 14 februari 1997. Klager verscheen, vergezeld van zijn advocaat mr E. Pasman. Betrokkene is niet verschenen.
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In de Nieuwe Revu nummer 24 verscheen begin juni 1996 een artikel van de hand van betrokkene en zijn collega Rick Blom met de kop 'Wie denkt Arthur Docters van Leeuwen wel dat hij is?' en de subkop 'Wat vinden anderen van Arthur Docters van Leeuwen?'. Daarin geven een aantal personen hun mening over procureur-generaal Docters van Leeuwen.
Betrokkene heeft ook klager, telefonisch, naar zijn mening gevraagd. Dit telefoongesprek heeft hij op band opgenomen, zonder dat klager daarvan op de hoogte was. In het artikel in Nieuwe Revu wordt klager als volgt geciteerd: Docters van Leeuwen is een gestapo-chef. Hij is een gek.
Betrokkene heeft desgevraagd de bandopname aan de Raad ter beschikking gesteld. De Raad heeft de opname, met toestemming van klager, ter zitting beluisterd en heeft kunnen vaststellen dat klager over de heer Docters van Leeuwen onder meer de volgende uitspraak heeft gedaan:
(....) Ik heb niets met die smeerlap te maken, dat is een spion. In de NRC staat op de voorpagina dat hij een politbureau runt, dat heeft u toch gezien van de week? Of niet? Ja, heb je dat gezien, of heb je dat gelezen, of niet? Ja, nou, ik noem hem altijd de nieuwe gestapo-chef. Het is een gek, die vent ( ....).

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen het ongevraagd opnemen van het telefoongesprek door betrokkene. Als hij had geweten dat het gesprek werd opgenomen had hij zich wellicht anders uitgelaten. Daarnaast is hij van mening dat de geciteerde uitspraak over de heer Docters van Leeuwen uit zijn verband is gerukt. Hij maakte de opmerking naar aanleiding van een artikel dat in het NRC Handelsblad over de heer Docters van Leeuwen was verschenen. De publicatie van het citaat in deze vorm heeft voor klager grote gevolgen gehad.

Betrokkene erkent dat hij klager niet heeft geïnformeerd over het feit dat het gesprek werd opgenomen. Hij vindt dit ook niet nodig. Een journalist moet zich wapenen tegen mensen die achteraf schrikken van hun eigen uitspraken, waarna ze de verslaggever voor leugenaar uitmaken, aldus betrokkene. Klager heeft hem voor leugenaar uitgemaakt in het dagblad Trouw, daarmee zijn integriteit in twijfel trekkend. Van klager, die zelf journalist is, vindt hij dit onbegrijpelijk.
Klager heeft niet gereageerd op de publicatie in Nieuwe Revu. Pas nadat het vakblad De Journalist erover schreef, beschuldigde klager hem ervan zijn uitlatingen uit de context te hebben gehaald. Later wendde klager zich tot de Raad, met bezwaren tegen het ongevraagd opnemen van het gesprek. Nog later is die klacht weer aangevuld met de beschuldiging dat betrokkene zijn woorden verdraaid zou hebben. Betrokkene verbaast zich over de volgorde van de klachten. Betrokkene meent dat hij met zijn weergave van het gesprek klager tegen zichzelf in bescherming heeft genomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naar het oordeel van de Raad bestaat de klacht uit twee onderdelen:
1. klager heeft bezwaar tegen het ongevraagd op band opnemen van het telefonisch vraaggesprek door betrokkene;
2. klager is van mening dat het door betrokkene gepubliceerde citaat ten onrechte uit zijn context is gehaald.

Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht overweegt de Raad het volgende:
De Raad heeft zich over de vraag of opname van een gesprek zonder medeweten van de geïnterviewde toelaatbaar is, al eerder uitgelaten, te weten in zijn uitspraak over de klacht Minister van VROM/Salverda en Runderkamp (van 21 april 1986, J 2/6/86). De Raad achtte het maken van bandopnamen door een journalist van door hem gevoerde (telefoon)gesprekken zonder dat zijn gesprekspartner daarvan op de hoogte is, in het algemeen een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het geval betrof de opname van telefoongesprekken met een voorlichtster van het ministerie van VROM, met de bedoeling die in een televisie-uitzending ten gehore te brengen. De specifieke omstandigheden van het geval vormden echter een rechtvaardiging voor openbaarmaking van de bandopname zonder toestemming van de gesprekspartner.

Het onderhavige geval kenmerkt zich vooral hierdoor dat het een interview betrof van klager die zelf journalist is en van wie, gelet op zijn ruime journalistieke ervaring, mag worden verwacht dat hij zich ervan bewust was dat de door hem gedane uitlatingen door de interviewer niet als vertrouwelijk ("off the record") of van persoonlijke aard zouden worden beschouwd maar door de interviewer zouden worden gebruikt. Voorts acht de Raad aannemelijk dat, zoals de betrokkene heeft gesteld, de opname is gemaakt om te dienen als geheugensteun voor betrokkene bij de verslaglegging en om zich in te dekken tegen beschuldigingen achteraf.
Onder deze omstandigheden verdient het weliswaar aanbeveling om de geïnterviewde mede te delen dat het gesprek op de band wordt opgenomen, maar als de band uitsluitend wordt gemaakt voor de zojuist genoemde doeleinden, maakt het achterwege laten van die mededeling de opname niet ongeoorloofd. De Raad acht dit onderdeel van de klacht dan ook ongegrond.

Het tweede onderdeel van de klacht acht de Raad evenmin gegrond. Klager is correct geciteerd. Ook al is de uitspraak van klager geïsoleerd van de rest van zijn commentaar, de strekking van de uitspraak wordt daardoor niet anders.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht op beide onderdelen ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Nieuwe Revu te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 maart 1997 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, A.G. Scherphuis, J.M.P.J. Verstegen en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1997, 11.