1997/1 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Sport7 B.V.

tegen

de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander

In een brief van 1 oktober 1996, met 1 bijlage, heeft C.A. Pelle namens Sport7 B.V. (klager) te Hilversum, een klacht ingediend tegen S. van Velzen en P. de Knegt, journalisten, en de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander (betrokkenen).
Hierop is namens betrokkenen door J.H. van Zenderen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 30 oktober 1996 met 1 bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 december 1996.
Partijen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De Gooi- en Eemlander publiceerde op 28 september 1996 een artikel van de hand van de journalisten Susanne van Velzen en Peter de Knegt, onder de kop 'Sport7 biedt NOS Nederlands elftal aan'. Daarin komen de volgende passages voor:

De sportzender Sport7 wil van het Nederlands elftal af. Deze week heeft de directie van het sportnet de thuiswedstrijden van de nationale ploeg aan Studio Sport aangeboden. Daarmee hoopt Sport7 de Haagse en Europese politiek gunstig te stemmen en te voorkomen dat het kabinet ingrijpt. Studio Sport geeft over de zaak geen commentaar. De woordvoerder van Sport7 zegt "niets te weten' van deze stappen van zijn directie.

Volgens schattingen heeft Sport7 de eerste weken al een verlies van 168 miljoen gulden geleden.

De aandeelhouders van Sport7 (KPN, ING en Philips) hebben tijdens een spoedbijeenkomst dinsdagnacht weliswaar extra geld toegezegd aan het noodlijdende net, maar ze eisen van Sport7 dat het binnen vier jaar uit de rode cijfers is.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster zijn alle essentiële beweringen in het artikel onjuist, ongemotiveerd en niet met bronnen of bewijsmateriaal onderbouwd en is de tekst suggestief, tendentieus en kennelijk bedoeld om haar in een ongunstig daglicht te stellen. Conclusies zouden niet zijn geverifieerd en het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn geschonden.
Van enige verkoop van de uitzendrechten van de thuiswedstrijden van het Nederlands elftal is geen sprake, stelt klaagster. De woordvoerder van klaagster zou desgevraagd tot tweemaal toe aan één van de journalisten hebben laten weten dat die stelling onjuist was, terwijl in het artikel, in strijd met de waarheid, is opgenomen dat de woordvoerder van niets wist. Ook het geschatte verlies van klaagster zou niet kloppen en bovendien blijft onbekend door wie deze schattingen zijn gemaakt. Klaagster stelt dat zij meer aandeelhouders heeft dan de drie in het artikel genoemde, hetgeen duidelijk blijkt uit de persberichten over de oprichting en introductie van de zender. Van een 'spoedbijeenkomst' was geen sprake en extra geld is door de aandeelhouders niet toegezegd, aldus klaagster. De eis dat klaagster 'binnen 4 jaar uit de rode cijfers is' is volgens haar volstrekt uit de lucht gegrepen. De beweringen over het geschatte verlies en de passage over de spoedbijeenkomst van de aandeelhouders zijn niet aan klaagster voorgelegd, zodat haar de kans is onthouden om verweer of commentaar op te leveren. Klaagster acht de werkwijze van de journalisten onzorgvuldig en onfatsoenlijk.

De betrokken hoofdredacteur geeft aan dat zijn reactie tot stand is gekomen in nauw overleg met de hoofdredactie van de GPD, omdat journalist De Knegt werkzaam is bij de GPD.
De betrokken journalisten zouden hun artikel niet dan na grondige raadpleging van meerdere, zeer betrouwbare bronnen hebben geschreven. Deze bronnen, die niet met naam genoemd kunnen worden, zijn bij de betrokken hoofdredacteur en de hoofdredacteur van de GPD bekend en worden door hen als legitieme bron van informatie terzake gezien. Betrokkenen staan onverkort achter alle passages in het artikel. De betrokken journalisten zouden doorlopend contact hebben opgenomen met de woordvoerder en de directie van klaagster en volop gelegenheid hebben geboden tot het geven van wederhoor. Klaagster wenste daar geen gebruik van te maken, aldus betrokkenen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt volgens de Raad uiteen in de volgende onderdelen:
1. de vermelding van essentiële onjuistheden in het artikel;
2. onvoldoende toepassen van het beginsel van wederhoor;
3. het artikel zou tendentieus en suggestief van toon zijn.

Ten aanzien van het eerste onderdeel heeft de Raad op grond van de stukken niet kunnen vaststellen of het artikel essentële onjuistheden bevat. Betrokkenen beroepen zich op meerdere betrouwbare bronnen voor hun informatie. Klaagster betwist een aantal beweringen, maar heeft geen nadere gegevens verschaft om de Raad van de onjuistheid van die beweringen te overtuigen. Dit onderdeel van de klacht kan de Raad dan ook niet gegrond verklaren.

Het tweede onderdeel klaagt over de wijze waarop wederhoor heeft plaatsgevonden. Voor de Raad staat vast dat aan klaagster om commentaar is gevraagd op een aantal van de voorgenomen beweringen. Hoewel de verklaringen van partijen met betrekking tot de inhoud van de reactie van klaagsters woordvoerder uiteen lopen, is niet gebleken, dat klaagster onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar visie kenbaar te maken. Ook dit onderdeel van de klacht treft derhalve geen doel.

Tenslotte oordeelt de Raad over het derde onderdeel van de klacht, dat het artikel kritisch van toon is en niet gunstig uitvalt voor klaagster. Dit maakt het echter nog niet tendentieus of onheus, zodat de klacht ook op dit onderdeel ongegrond wordt geacht.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Gooi- en Eemlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 januari 1997 door mr P.J. Boukema, voorzitter,
mr. G. Dullens, J.A. Koerts, A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1997, 1.