1996/8

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
X
tegen
Hoofdredacteur van De Volkskrant
In een brief van 28 juni 1995 heeft X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Volkskrant (betrokkene).
Hierop is door de heer B. Vuijsje, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 20 juli 1995. Op 11 januari, 25 januari en 29 januari 1996 zijn door mr M.D. van Aller, advocaat van klager, in totaal nog 11 stukken aan de Raad gezonden. Mr W.C. van Manen, advocaat van betrokkene, heeft bij brief van 1 februari 1996 om uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Omdat dit wegens organisatorische redenen niet meer mogelijk was, is de zaak zoals aangekondigd behandeld ter zitting van de Raad van 2 februari 1996. X was in persoon aanwezig en heeft zijn standpunt toegelicht onder het overleggen van een pleitnota. Betrokkene was met bericht afwezig. Na afloop van de zitting is de door klager overgelegde pleitnota aan mr Van Manen gestuurd met de vraag of er van de zijde van betrokkene nog behoefte was aan een voortzetting van de mondelinge behandeling. Bij brief van 12 februari 1996 is door mr Van Manen namens betrokkene schriftelijk op de pleitnota gereageerd, daarbij aangevend dat hiermee de behandeling als voltooid kon worden beschouwd.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De Raad heeft op 22 mei 1995 uitspraak gedaan inzake de klacht van X tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant van 14 oktober 1994. Die klacht was gericht tegen de publikatie van een zware en ernstige beschuldiging zonder klager te horen of nader onderzoek te doen en tegen de weigering om de bron van een anoniem gepubliceerde brief bekend te maken. Het eerste deel van de klacht werd gegrond verklaard, het tweede deel ongegrond. De Raad verzocht betrokkene, zoals gebruikelijk, de beslissing integraal of in samenvatting in De Volkskrant te publiceren.
De Volkskrant publiceerde op 3 juni 1995 een bericht over de uitspraak met de kop 'De Volkskrant verzweeg terecht identiteit briefschrijfster'. In het artikel wordt uitgebreid aandacht besteed aan het onderdeel van de klacht dat ongegrond werd verklaard, waarbij de beschuldiging jegens klager nog eens wordt herhaald. Twee zinnen zijn gewijd aan het punt waarop klager gelijk kreeg, namelijk dat de krant de zware beschuldiging niet had mogen plaatsen zonder klager eerst zelf te horen, dan wel nader onderzoek te doen naar de juistheid daarvan.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat betrokkene in het onderhavige artikel wederom insinueert dat hij een dader van seksueel geweld is, zonder hem om een weerwoord te vragen. Bovendien geeft het artikel de uitspraak van de Raad zeer onjuist en buiten zijn context weer, aldus klager. Het stuk geeft volgens klager iedere objectieve lezer de indruk, dat De Volkskrant de zaak heeft gewonnen en dat hij een monster is, die er een hobby van maakt om vrouwen lastig te vallen en te verkrachten. Dit terwijl in de uitspraak van de Raad staat, dat 'door betrokkene later verzamelde rechterlijke uitspraken geen van alle betrekking hebben op gepleegd seksueel geweld door klager en daarvoor ook geen bewijs opleveren'.

Betrokkene is van mening, dat de uitspraak van de Raad correct is weergegeven. Zowel aan het begin als aan het eind van het artikel wordt bericht dat klager op het punt van wederhoor door de Raad in het gelijk is gesteld. Bij berichten of artikelen over uitspraken van de Raad is het toepassen van hoor en wederhoor niet aan de orde. Een weerwoord, dat achteraf geplaatst had kunnen worden, heeft klager niet ingezonden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van mening dat het geen eis van journalistiek fatsoen is, om alvorens een samenvatting van een uitspraak van de Raad te publiceren klager daarover te raadplegen. Wel mag verwacht worden dat de samenvatting een evenwichtige weergave is van de uitspraak. In het onderhavige geval kan daarvan niet worden gesproken. Het oordeel van de Raad over het verzwijgen van de identiteit van de briefschrijfster heeft bovenmatige aandacht gekregen. Hoewel het belangrijkste deel van de klacht, immers gebaseerd op het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor, gegrond was verklaard wekken het artikel en de kop een geheel andere indruk. Er is geen aandacht besteed aan de motivering die tot het oordeel van de Raad heeft geleid. Gelet op de aard van de jegens klager geuite beschuldigingen moet dit als onzorgvuldig worden aangemerkt. De Raad is daarom van oordeel dat de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond voor zover gericht tegen de wijze waarop betrokkene de uitspraak van de Raad van 22 mei 1995 heeft samengevat en gepubliceerd en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 maart 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, mr A.J. Heerma van Voss, mw. J.A. Koerts en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 8.