1996/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek

inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredactrice van OPZIJ

In een brief van 26 september 1995 met 2 bijlagen heeft X een klacht ingediend tegen de hoofdredactrice van het weekblad OPZIJ (betrokkene).

Hierop is door mevrouw C. Dresselhuys, hoofdredactrice, gereageerd in een brief van 17 oktober 1995 met 5 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 1996. Beide partijen waren daarbij in persoon aanwezig.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klaagster is geïnterviewd voor een artikel in het themanummer 'Emoties' van OPZIJ, van juli/augustus 1995 over prenataal onderzoek en de gevolgen daarvan. Daarin kwamen haar persoonlijke ervaringen na de uitslag van prenataal onderzoek in 1991 aan de orde. Als reactie op haar verhaal werd in het volgend nummer van OPZIJ een ingezonden brief geplaatst van een groep medewerksters van Klinisch Genetisch Centrum Nijmegen/AZN St. Radboud. Daarin komen onder meer de volgende passages voor:
"(--) Niets afdoend aan de ervaring van mevrouw X uit het artikel menen wij dat het in ons land zeker geen gemeengoed is om een afbreking van een zwangerschap te suggereren. Er zijn landelijk afspraken gemaakt tussen gynaecologen en klinisch genetici om geen suggesties te doen ten aanzien van de richting van een oplossing en zowel voortzetting als afbreking van de zwangerschap als optie te noemen. (--)"

"(--) De mening van X, dat het bestaan van kinderen met het syndroom van Down ter discussie wordt gesteld delen wij niet. Evenmin onderschrijven wij de gedachte dat, nu er prenataal onderzoek mogelijk is, vaak geredeneerd wordt dat je zulke kinderen tegenwoordig niet meer hoeft te krijgen.(--)"

"(--) Mevrouw X heeft een nare ervaring gehad na de uitslag van prenataal onderzoek. Maar haar verhaal geeft ons inziens geen genuanceerd beeld van de medische en psycho-sociale zorg in Nederland.(--)"

Klaagster is over deze brief en de plaatsing daarvan niet door betrokkene ingelicht.

Zij heeft telefonisch en schriftelijk aan betrokkene kenbaar gemaakt dat zij bezwaren had tegen het plaatsen van de reactie. Betrokkene heeft haar laten weten dat zij de discussie als gesloten beschouwt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster is van mening dat de briefschrijfsters haar ervaringen bagatelliseren, waardoor zij zich gekwetst voelt. Zij heeft in het interview willen zeggen dat haar verhaal niet op zichzelf stond. Door plaatsing van de ingezonden brief, afkomstig uit de beroepsgroep die zich met prenataal onderzoek bezighoudt, verliest haar verhaal aan geloofwaardigheid. Dat de situatie, zoals in de brief wordt gezegd, anno 1995 veranderd is, doet niets af aan haar ervaringen in 1991. Dit aspect is niet aan de lezers duidelijk gemaakt. Klaagster meent dat betrokkene haar in de gelegenheid had moeten stellen om vooraf dan wel achteraf op de brief te reageren.

Betrokkene is van mening dat de geplaatste brief de andere kant van de medaille toonde. Omdat klaagster zich nogal negatief uitliet over haar ervaringen met de prenatale zorg, is het logisch dat van deze zijde een reactie kwam. Het is volgens haar een keurige brief, niet beledigend of kwetsend, waarbij geen sprake is van bagatellisering van de ervaringen van klaagster. Alleen als ingezonden brieven beschuldigend of anderszins kwetsend zijn, wordt aan de andere partij om een naschrift gevraagd. In dit geval was daarvoor geen aanleiding. Beide partijen waren aan hun trekken gekomen, hetgeen betrokkene een mooie afronding van het onderwerp vond.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht richt zich op
1. de publikatie van de ingezonden brief, die volgens klaagster kwetsend is en haar ervaringen, zoals verwoord in het interview, bagatelliseert en
2. het feit dat klaagster geen gelegenheid kreeg om op de ingezonden brief te reageren.

De Raad overweegt het volgende:

1. Iemand die meewerkt aan een interview kan in beginsel niet klagen over de publikatie van een reactie daarop. Dat zou anders zijn indien die reactie in onnodig grievende of kwetsende termen zou zijn gesteld. Dat is in casu niet het geval. De schrijfsters plaatsen hun eigen kennis en ervaringen naast de ervaringen van klaagster, zonder daaraan iets te willen afdoen.

2. De ervaringen van klaagster dateren uit 1991. De ingezonden brief beschrijft de situatie in 1995 zonder dat erkend wordt dat die in 1991 anders zou kunnen zijn geweest. Het valt te begrijpen, dat klaagster daarop in OPZIJ wilde reageren en het had de voorkeur verdiend indien betrokkene haar daartoe gelegenheid had geboden. Het achterwege laten daarvan weegt echter niet zo zwaar, dat daarmee journalistieke normen zijn geschonden, temeer nu in de ingezonden brief aan de in het interview beschreven ervaringen van klaagster niets wordt afgedaan.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in OPZIJ te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 februari 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr D.T. Dalmolen, W.F. de Pagter, mr L. van Vollenhoven en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ, 1996 5.