1996/44

 

 

AMBTSHALVE UITSPRAAK VAN DE RAAD VOOR DE JOURNALISTIEK

inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur

 

I. Inleidende opmerkingen

A. Door middel van twee schriftelijke verzoeken is aan de Raad gevraagd zich te buigen over de toelaatbaarheid van het gebruik van verborgen camera's bij journalistieke producties. De verzoeken zijn gedaan door de Evangelische Omroep (de EO) en het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf "Horeca" (het KHN). Het werd de EO onlangs door de President van de Rechtbank in Kort Geding verboden om van de door haar in een abortuskliniek met een verborgen camera gemaakte opnamen gebruik te maken en deze opnamen aan derden, onder wie de Raad voor de Journalistiek, te tonen.
Ook het KHN werd recentelijk met het gebruik van de verborgen camera geconfronteerd. Bij een aantal horeca-ondernemingen waren opnamen gemaakt van een ge?ceneerd bezoek van een Turkse familie en van de wijze waarop het gezelschap werd ontvangen. De beelden werden zonder toestemming van de bij de opnamen betrokken horeca-ondernemers uitgezonden.

B. De Raad laat de vraag of gebruikmaking van een verborgen camera in de specifieke door de EO en de KHN genoemde gevallen toelaatbaar was, buiten beschouwing. Wel doen de beide verzoeken meer in het algemeen de vraag rijzen of, en zo ja onder welke omstandigheden, een journalist met het oog op openbaarmaking een opname mag maken met verborgen camera-apparatuur (foto-, film- of videocamera, microfoon), zonder medeweten van de bij de opname betrokkenen, en of, en zo ja, onder welke omstandigheden, een journalist zonder toestemming van degenen van wie die opname is gemaakt tot openbaarmaking daarvan mag overgaan.

C. Deze vraagstelling heeft geen betrekking op de opname met een verborgen camera die is gemaakt ten behoeve van amusementsprogramma's die er juist (mede) op gericht zijn personen in grappige, onverwachte of vreemde situaties te tonen. Het behoeft geen betoog dat voor het openbaar maken van zo'n opname met de "candid-camera" onder alle omstandigheden de voorafgaande toestemming van de betrokkene is vereist en dat, indien en voor zover sprake is van een journalistieke gedraging, uitzending of publicatie van die opname zonder die toestemming een overschrijding inhoudt van wat, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

D. Waar hierna over personen wordt gesproeken, worden daaronder mede begrepen rechtspersonen en andere organisatievormen wier rechten en belangen door de opname in kwestie rechtstreeks worden geraakt.

II. De procedure

A. Op grond van de in artikel 11 van het Reglement van de Raad gegeven bevoegdheid heeft de voltallige Raad besloten een uitspraak te doen over het gebruik van verborgen opname-apparatuur door journalisten. De Raad acht de hierboven onder I.B geformuleerde algemene vraagstelling met betrekking tot journalistieke gedragingen van principieel belang.

B. De behandeling van de zaak heeft door de voltallige Raad plaatsgevonden op een door de voorzitter bepaalde wijze. Er zijn geen personen gehoord, teneinde de indruk te vermijden dat de Raad met deze uitspraak meer in het bijzonder een oordeel beoogt over een of meer concrete journalistieke gedragingen die voorwerp zijn geweest van discussie in de pers, ook al hebben deze wel de aanzet gegeven tot het doen van deze uitspraak.

III. Uitgangspunten voor het stellen van journalistieke normen

A. De Raad geeft zijn oordeel binnen het kader dat wordt bepaald door de algemene norm waaraan hij ingevolge art. 3 van zijn statuten journalistieke gedragingen dient te toetsen, te weten of door die gedragingen de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

B. Zoals al in de vraagstelling onder I.B tot uitdrukking is gebracht, gaat het om de normering van zowel het gebruik van verborgen apparatuur om een opname te maken als van het openbaar maken van zo'n opname.

C. Voorde beoordeling van de vraag in hoeverre journalisten gebruik mogen maken van een door derden met verborgen opname-apparatuur vervaardigde opname, verwijst de Raad naar zijn ambtshalve uitspraak voer het gebruik van onrechtmatig verkregen informatie, van 24 november 1995 (De Journalist 1996, nr. 4).

IV. De strafbaarheid en journalistieke verantwoordelijkheid

A. De Raad acht zich in het algemeen niet bevoegd tot het geven van een oordeel over strafrechtelijke kanten van de materie die hier aan de orde is. Wel dient in verband met de mogelijke samenloop van strafbaarheid van journalistiek gedrag en journalistieke verantwoordelijkheid het volgende te worden opgemerkt.

B. In beginsel zullen de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, overschreden zijn als journalisten door het gebruik maken van verborgen camera-apparatuur en de openbaarmaking van de door hen daarmee verkregen opname zich schuldig maken aan een misdrijf en op die grond door de strafrechter worden veroordeeld en straf krijgen opgelegd. Of de betrokken journalist zich aan enig misdrijf schuldig heeft gemaakt, kan in laatste instantie alleen de Nederlandse strafrechter beoordelen.

C. De journalist kan te maken krijgen met een aantal strafrechtelijke bepalingen. In de Auteurswet wordt de openbaarmaking van een portret zonder dat men daartoe gerechtigd is als een overtreding aangemerkt (art. 35 Auteurswet 1912). Het maken van een opname met verborgen opname-apparatuur in een winkel, caf?f restaurant is als overtreding strafbaar (art. 441b Wetboek van Strafrecht). Als misdrijf en dus strenger wordt bestraft het maken van een opname in een woning of een niet voor publiek toegankelijk lokaal, als gebruik wordt gemaakt van een door een list of kunstgreep daartoe geschapen gelegenheid en als daardoor het rechtmatig belang van de geportretteerde persoon kan worden geschaad (art. 139f Sr). Ook opnemen en aftappen van gesprekken waaraan men niet deelneemt in een woning, besloten lokaal of erf, worden als een misdrijf gekwalificeerd, evenals het met dit doel plaatsen van apparatuur (art. 139a t/m e Sr). Ten slotte kan er ook sprake zijn van huis- en lokaalvredebreuk: het wederrechtelijk binnendringen of vertoeven in een woning of lokaal (art. 138 en 139 Sr).

D. De vraag onder welke omstandigheden het gebruik maken van verborgen opname-apparatuur een strafbaar feit oplevert, kan naar het oordeel van de Raad niet los gezien worden van de taak die de journalist in het algemeen belang heeft. Of, en onder welke omstandigheden, zich hier een strafuitsluitingsgrond of rechtvaardigingsgrond in strafrechtelijke zin kan voordoen, staat niet aan de Raad ter beoordeling.

E. In onder meer art. 10. van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Verdrag van Rome, EVRM) wordt het recht van vrijheid van meningsuiting gewaarborgd. Dit recht, dat de journalist een stevige basis voor vrijheid van nieuwsgaring biedt, kan in een concreet geval de toepassing van de strafbepaling uitsluiten. Art. 10 EVRM moet door de Nederlandse rechter worden toegepast en is van hoger orde dan de Nederlandse wet. Over een geval waarin de strafwet met dit recht botst, oordeelt niet alleen de strafrechter maar eventueel ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

F. Er is dan ook voldoende ruimte voor een journalistieke normering en afweging. De journalist behoeft zich er niet uitsluitend door de kans dat hij later voor het plegen van een strafbaar feit zal worden veroordeeld en gestraft, van te laten weerhouden overeenkomstig de in deze uitspraak te geven regels af te wegen of het in overeenstemming is met zijn journalistieke taak en verantwoordelijkheid, om gebruik te maken van verborgen opname-apparatuur.

V. De civielrechtelijke aansprakelijkheid en de journalistieke verantwoordelijkheid

A. In de regel zal in civiele procedures de gedraging van een journalist worden getoetst aan de algemene norm die art. 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geeft met betrekking tot onrechtmatig handelen. De reikwijdte van deze bepaling is bijzonder groot en de burgerlijke rechter heeft een grote mate van beoordelingsvrijheid.

B. In het kader van de boordeling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor het maken en openbaar maken van een met verborgen apparatuur vervaardigde opname zal, indien toepasselijk, de door art. 8 EVRM gewaarborgde eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aan de orde komen. Daarnaast zijn er de in de Auteurswet 1912 vastgelegde bepalingen met betrekking tot het portretrecht, waarop de door een verborgen camera geportretteerden een beroep kunnen doen, indien zij een redelijk belang hebben om zich tegen openbaarmaking van hun portret te verzetten (art. 21 Auteurswet 1912). In de rechtspraak is nadere invulling gegeven aan het begrip "redelijk belang".

C. De Raad volstaat met een verwijzing naar de desbetreffende rechtspraak en literatuur, die hier verder buiten beschouwing moet bijven,

D. De afweging die de burgerlijke rechter zal maken in zaken die het gebruik van verborgen opname-apparatuur betreffen, zal, naar te verwachten valt, veel overeenkomst vertonen met de afweging die hierna zal worden uitgewerkt. Een journalistieke gedraging die door de burgerlijke rechter onrechtmatig wordt bevonden, hoeft echter niet altijd de door de Raad gehanteerde journalistieke norm te schenden.

E. Ook de burgerlijke rechter zal bij zijn beoordeling van de (on)rechtmatigheid mede rekening moeten houden met de in art. 10 EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting. Op de verhouding tussen deze bepaling en het hierboven genoemde art. 8 EVRM wordt hierna onder VII.D teruggekomen.

 

VI. Algemene norm

A. In eerdere uitspraken is door de Raad steeds als uitgangspunt genomen dat journalisten zich bij de uitoefening van hun werk als zodanig bekend dienen te maken en duidelijkheid dienen te verschaffen over hun bedoelingen en over het karakter van de uitzending c.q. de publicatie die zij voorbereiden. Zij mogen dan ook in beginsel slechts met toestemming en medeweten van betrokkenen hun portret of stem opnemen en openbaar maken. (Zie H.F. Massink/Jeanne Kooymans, De Journalist 1994 nr. 16 en Minister VROM/Salverda en Runderkamp, De Journalist 1986 nr. 10).

B. Een en ander brengt mee dat door het maken van de hier genoemde opname met verborgen apparatuur en het openbaar maken van zo'n opname, een en ander zonder toestemming en/of medeweten van betrokkenen, in beginsel de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, zijn overschreden.

VII. Uitzondering op de algemene norm

A. Een uitzondering op de in VI.B geformuleerde norm kan toelaatbaar zijn indien het gaat om een opname die is gemaakt op de openbare weg of een andere openbare plaats en niet in het bijzonder is gericht op het beeld of de stem van een of meer bepaalde personen met het oogmerk die opname openbaar te maken in een programma of publicatie met betrekking tot die personen. Zo zal bijvoorbeeld een met verborgen opname-apparatuur gemaakte opname van het openbare leven, teneinde die opname als illustratiemateriaal te gebruiken , in het algemeen toelaatbaar geacht kunnen worden.

B. Overigens kunnen slechts zwaarwichtige redenen van algemeen belang een afwijking van de in VI.B geformuleerde norm rechtvaardigen. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien na behoorlijk onderzoek gebleken is dat de journalist geen andere middelen ten dienste staan om overeenkomst de taak van de pers in een democratische samenleving, het publiek voor te lichten over ernstige misstanden en of ernstige rechtsschendingen dan wel andere informatie te verstrekken die wezenlijk is voor de publieke meningsvorming over zaken die het algemeen belang direct raken.

C. Dit criterium vereist, voordat wordt besloten tot het gebruik van verborgen opname-apparatuur of tot openbaarmaking van de door middel daarvan verkregen opname, steeds een zorgvuldige afweging van alle omstandigheden van het geval en de betrokken belangen.

D. In dit verband zal de journalist, vooral waar de belangen van particuliere personen in het geding zijn, veelal te maken krijgen met een botsing van grondrechten, met name van enerzijds het grondrecht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds dat van vrije meningsuiting. De Nederlandse rechter heeft beslist dat er geen hi?rchie bestaat tussen deze grondrechten. Het recht op eerbiediging van de privacy, gewaarborgd door art. 10 van de Grondwet, art. 8 EVM en art. 17 Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), gaat niet boven het recht op vrije meningsuiting, dat is vastgelegd in art. 7 Grondwet, art. 10 EVRM en art. 19 IVBPR, of omgekeerd. Met inachtneming van alle bijzonderheden van het geval dienen de beide rechten dan tegen elkaar te worden afgewogen, teneinde na te gaan welk recht in het betrokken geval zwaarder weegt. Verwezen wordt in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 1994, gepubliceerd in Nederlandse Jurisprudentie 1994, nr. 473, met een noot van pof. mr. D.W.F. Verkade, inzake Spaarnsestad, uitgeefster van Panorama, tegen Ferdie E., waarin het de publicatie van een foto met een afbeelding van laatstgenoemde betrof. Overigens is in de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 27 maart 1996, nr. 16/1994/463/544, integraal gepubliceerd in Rechtspraak van de Week 1996, nr. 78, inzake de bescherming van de journalistieke bronnen, het belang van de handhaving van een vrije pers en daarmee het gewicht van art. 10 EVRM in dit opzicht nog eens beklemtoond.

VIII. De afweging

A. Uitgangspunten

1. Het resultaat van de afweging zal, indien dit tot openbaarmaking leidt, door de Raad achteraf aan de algemene journalistieke norm getoetst kunnen worden, indien daarover geklaagd wordt. Bij die toetsing zal de zorgvuldigheid van de afweging een belangrijk aspect zijn.

2. Ten aanzien van de afweging zelf dient een aantal formele regels en materi? aandachtspunten en af te wegen factoren genoemd te worden.

B. In acht te nemen regel en in aanmerking te nemen omstandigheden en factoren

1. De volgende formele regels dienen in elk geval in acht te worden genomen teneinde zoveel mogelijk te verzekeren dat de beslissing op een verantwoorde afweging berust.

2. Verantwoordelijkheid. In de eerste plaats moet nauwkeurig worden vastgesteld wie voor de opname en vervolgens voor de uitzending daarvan journalistiek de eindverantwoordelijkheid zullen dragen. Voorts zullen degenen die deze eindverantwoordelijkheid dragen, zelf, althans mede, het besluit tot opname en openbaarmaking moeten nemen en de daartoe nodige afweging moeten hebben verricht. Of naast degenen die de journalistieke eindverantwoordelijkheid dragen, ook degenen die juridisch aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de openbaarmaking, zoals de desbetreffende omroeporganisatie of uitgever, betrokken moeten worden bij de besluitvorming, is niet ter beoordeling van de Raad, die immers geen bevoegdheden heeft te treden in de verhouding tussen de journalistieke en zakelijke leiding van een medium.

3. Melding. Voor de openbaarmaking van een met verborgen apparatuur verkregen opname is in beginsel de voorafgaande toestemming vereist van de daarin te herkennen personen, dan wel van de personen in wier omgeving (woning, instelling, horecagelegenheid etc.) de opname is gemaakt. De omstandigheden van het geval kunnen echter wel meebrengen dat de journalist die over zo'n opname beschikt en die wil gaan gebruiken, de betrokkenen darvan weliswaar in kennis stelt, doch zonder expliciete toestemming tot openbaarmaking overgaat. Wel zal ook dan steeds hoor en wederhoor ten aanzien van de genoemde personen moeten zijn toegepast.

Toelichting.
Bijzondere omstandigheden van klemmende aard kunnen meebrengen dat ook zonder voorafgaande toestemming tot openbaarmaking word overgegaan. Hoor en wederhoor, waarbij degenen wier rechten en belangen door de opname rechtstreeks worden geraakt met de vervaardiging en de inhoud van de opname worden geconfronteerd, dient in alle gevallen plaats te vinden.

4. Naast deze formele punten verdienen de volgende materi? punten bij de afweging en de openbaarmaking aandacht.

5. Het doel van de opname en de belangen die door openbaarmaking worden gediend. Vastgesteld moet worden wat men met de opname en de openbaarmaking daarvan beoogt te bereiken en welke belangen door openbaarmaking worden gediend. Bij de afweging moet daarmee rekening worden gehouden.

Toelichting.
Hier zijn twee aspecten aan de orde waaraan telkens aandacht moet worden besteed:
(a) het doel van de opname en de openbaarmaking daarvan en het journalistieke belang daarbij, (b) het algemene belang bij een en ander.
Tot (a) behoort de nieuwswaarde van de te verkrijgen opname en het kader waarin de openbaarmaking van de opname plaatsvindt. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het karakter van de uitzending.
Bij (b) gaat het om de mate waarin maatschappelijke, politieke of andere publieke belangen gediend zijn bij opname en openbaarmaking van de door die opname verkregen informatie. De informatie kan van belang zijn vanwege de bijdrage die daarmee aan de publieke meningsvorming wordt geleverd, bijvoorbeeld indien een bestuurlijke, politieke of maatschappelijke misstand aan het licht wordt gebracht. Daarbij dient tevens te worden overwogen of er voor de journalist aanwijzingen zijn voor het vermoeden van een misstand. Het belang van de informatie moet nog eens gewogen worden, voordat de beslissing tot openbaarmaking wordt genomen. Daarin kan immers na de opname verandering gekomen zijn.

6. De belangen die zich verzetten tegen de opname en/of openbaarmaking daarvan. Bij de afweging dient steeds te worden betrokken de vraag of de belangen die door opname met verborgen apparatuur worden geschonden of in gevaar gebracht, zo zwaar wegen dat van een dergelijke opname moet worden afgezien.

7. Hier dient de vraag te worden beantwoord in welke mate door opname en uitzending de rechten en rechtmatige belangen van personen, waaronder het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zullen worden geschonden.

Toelichting.
In de eerste plaats kan daarbij gedacht worden aan de aard van de te onthullen informatie en de mate van vertrouwelijkheid daarvan. Niet alleen de persoonlijke levenssfeer is van belang, maar ook de bescherming van de integriteit. De omstandigheid dat de opname een publiek bekend persoon betreft, kan een factor van gewicht zijn.
De plaats waar de opname gemaakt wordt, speelt een rol bij de beoordeling van de vraag in welke mate er sprake is van inbreuk op de betrokken persoonlijke levenssfeer. Zo kan worden gewezen op het onderscheid tussen het maken van een opname in een publieke omgeving en in een besloten omgeving. Dat de opname plaatsvindt in een voor het algemeen publiek vrij toegankelijke ruimte, kan een factor zijn die het werken met verborgen opname-apparatuur eerder rechtvaardigt dan de omstandigheid dat het gaat om een opname in een besloten ruimte. In het laatste geval zal, naar valt aan te nemen, slechts zelden een uitzondering op de in VI.B geformuleerde norm gerechtvaardigd zijn.
Vragen die men zich daarnaast dient te stellen, zijn bijvoorbeeld of de opname c.q. openbaarmaking gevaar oplevert voor de veiligheid van mensen of goederen en, zo ja, wat de aard van dat gevaar is, hoe re? het is en hoe dreigend. Indien redelijkerwijze te voorzien is dat openbaarmaking van de opname een re? dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen, onder hen begrepen degenen die de opname hebben gemaakt, moet van die openbaarmaking worden afgezien, tenzij dit geschiedt op een zodanige wijze dat aan geen redelijke twijfel onderhevig is dat die dreiging is weggenomen.

8. De vorm van openbaarmaking. Openbaarmaking kan door middel van uitzending van de opname via radio of televisie geschieden, dan wel door middel van publicatie van een beeldopname in een krant of tijdschrift. Aan de vorm waarin de openbaarmaking plaatsvindt, dient met het oog op het ontzien van de belangen van de betrokkenen aandacht te worden besteed.

Toelichting.
Het is mogelijk dat de verkregen opname gegevens bevat die zich wegens hun aard niet voor uitzending lenen of bij openbaarmaking waarvan geen enkel belang gediend is. Ook kunnen herkenbare afbeeldingen of stemmen van derden in de opname voorkomen die voor de te onthullen informatie niet van belang zijn. Men zal meden met het oog op een en ander telkens moeten afwegen in welke vorm uitgezonden kan en moet worden. geeft met het materiaal onverkort weer? Is het mogelijk personen of stemmen en persoonlijke gegevens (nummerborden, straatnamen etc.) onherkenbaar weer te geven, zonder afbreuk te doen aan het belang van de uitzending? Kan worden volstaan met een weergave van de inhoud van de opname zonder openbaarmaking van de opname zelf?

C. Het resultaat van de afweging.

Het besluit om, bij wijze van uitzondering op de in VI.B geformuleerde algemene norm en meet inachtneming van het in VII.B geformuleerde criterium, gebruik te maken van verborgen opname-apparatuur en om een op die wijze vervaardigde opname openbaar te maken, kan slechts voldoende verantwoord worden geacht indien de belangen die gediend zijn bij het maken en openbaren van een dergelijke opname, in ruime mate opwegen tegen de inbreuk die door die opname en openbaarmaking wordt gemaakt op rechten en rechtmatige belangen van de personen en op wie de opname rechtstreeks betrekking heeft.

Toelichting.
Men dient zich, na de afweging aan de hand van de hierboven genoemde aandachtspunten en criteria steeds als laatste toetssteen de vraag stellen of het belang bij opname voldoende opweegt tegen de schending van met name de privacy. De marge die daarbij in acht genomen moet worden, moet aan de ruime kant zijn, mede in verband met de strafrechtelijke aspecten.

IX. Slotsom

A. Met het voorgaande beoogt de Raad een handreiking te bieden aan journalisteen die voor de vraag komen te staan of zij gebruik mogen maken van verborgen opname-apparatuur. Hier volgt een samenvatting van de voornaamste naar het oordeel van de Raad in acht te nemen regels.

B. Door het maken van een opname van beeld of stem van personen met verborgen apparatuur en het openbaar maken van zo'n opname, een en ander zonder toestemming en/of medeweten van de betrokkenen, zijn in beginsel de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, overschreden (VI.B).

C. Een uitzondering op deze norm kan toelaatbaar zijn indien het gaat om een opname die is gemaakt op de openbare weg of een andere openbare plaats en niet in het bijzonder is gericht op het beeld of de stem van een of meer bepaalde personen met het oogmerk die opname openbaar te maken in een programma of publicatie met betrekking tot die personen (VII.A).

D. Voor het overige kunnen slechts zwaarwichtige redenen van algemeen belang een afwijzing van de norm rechtvaardigen. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien na behoorlijk onderzoek gebleken is dat de journalist geen andere middelen ten dienste staan om overeenkomstig de taak van de pers in een democratische samenleving, het publiek voor te lichten over ernstige misstanden of ernstige rechtsschendingen (VII.B).

E. Dit criterium vereist, voordat tot die opnamemethode en/of openbaarmaking wordt besloten, steeds een zorgvuldige afweging door de journalistiek verantwoordelijken als nader in deze uitspraak aangegeven (VII.C en VIII).

F. Het besluit om, bij wijze van uitzondering op de in VI.B geformuleerde algemene norm en met inachtneming van het in VII.B geformuleerde criterium, gebruik te maken van verborgen opname-apparatuur en om een op die wijze vervaardigde opname openbaar te maken, kan slechts voldoende verantwoord worden geacht indien de belangen die gediend zijn bij het maken en openbaren van een dergelijke opname, in ruime mate opwegen tegen de inbreuk die door die opname en openbaarmaking wordt gemaakt op rechten en rechtmatige belangen van de personen op wie de opname rechtstreeks betrekking heeft (VIII.C).

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 augustus 1996 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, vice-voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. D.T. Dalmolen, mr. G. Dullens, H. van Gessel, mr. A.J. Heerma van Voss, prof. mr. E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, mw. J.A. Koerts, W.F. de Pagter, mw. A.G. Scherphuis, mr. B.A. Schmitz, J.M.P.J. Verstegen, mw. drs. M.W.M. Vos-Van Gortel, K. Wiese, drs. J.K. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 44

Uitspraak 1996-44