1996/43 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. ten Kortenaar en B.L.W. ten Kortenaar-van Kessel

tegen

B. Vuijk en het Dagblad van Almere

Met een brief van 1 februari 1996 met vijf bijlagen hebben de heer en mevrouw Ten Kortenaar te Almere (klagers) een klacht ingediend tegen de heer B. Vuijk, journalist bij het Dagblad van Almere en tegen het Dagblad van Almere (betrokkenen). Betrokkenen hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, aanvankelijk in het geheel niet op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van 5 juli 1996. Mede namens zijn echtgenote is de heer Ten Kortenaar op de zitting verschenen. Betrokkenen zijn niet verschenen.

Ter zitting heeft Ten Kortenaar zich op een aantal stukken beroepen die hij niet bij zich had, maar wel bereid was deze desgewenst in het geding te brengen. De Raad heeft zich na de zitting hierover beraden en heeft klagers vervolgens bij brief van 9 juli 1996 verzocht daadwerkelijk een aantal van deze stukken in het geding te brengen.

Bij brief van 15 juli 1996 heeft Ten Kortenaar de Raad een aantal van de gevraagde stukken toegezonden, waarbij hij heeft gesteld dat deze niet aan betrokkenen ter beschikking mochten worden gesteld. Voorts heeft Ten Kortenaar de Raad in deze brief meegedeeld de ontbrekende stukken niet aan de Raad te willen toezenden. Bij brief van 21 juli 1996 heeft de Raad klagers laten weten op grond van artikel 6 lid 4 van het reglement van de Raad verplicht te zijn alle stukken zowel aan klager als aan verweerder ter beschikking te stellen. De Raad heeft klagers voor de keuze gesteld hetzij de stukken aan betrokkenen ter beschikking te doen stellen, hetzij de stukken retour te ontvangen in welk geval deze buiten de beoordeling zouden blijven.

Klagers hebben vervolgens gevraagd om een onderzoek van de Raad als bedoeld in artikel 5 lid 4 van het reglement. De voorzitter van de Raad heeft dit verzoek bij brief van 6 september 1996 van de Raad gemotiveerd afgewezen, maar heeft klagers in de gelegenheid gesteld ervoor te kiezen verdere behandeling van de klacht uit te stellen tot na de behandeling van de volgens klagers -naar aanleiding van door hen gedane aangifte van smaad c.q. smaadschrift- jegens de heer Vuijk ingestelde strafzaak. Klagers hebben de Raad bij brief van 10 september 1996 bericht geen uitstel te wensen en hebben de Raad verzocht een voortgezette behandeling te bepalen.
De Raad heeft een nadere mondelinge behandeling bepaald op 21 oktober 1996.

Naar aanleiding van het voorgaande hebben betrokkenen bij brief van 23 september 1996 met drie bijlagen en bij brief van 3 oktober 1996 met tien bijlagen alsnog op de klacht gereageerd. Klagers hebben, naar aanleiding van de brieven van betrokkenen, bij brief van 9 oktober 1996 met 12 bijlagen (genummerd 1 tot en met 8 B) nader gereageerd.

De voortgezette behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 21 oktober 1996. Klagers noch betrokkenen zijn toen verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Eind januari 1996 is in het Dagblad van Almere een aantal artikelen van de hand van de heer Vuijk verschenen betreffende klagers en een aantal rechtspersonen, te weten The Television Company Ltd., The Production House B.V. en Stichting TPH Beheer. Deze rechtspersonen zijn niet alleen door klagers opgericht, zij hebben daarin ook zeggenschap.

In de artikelen is melding gemaakt van het feit dat Ten Kortenaar in 1987 in privé failliet is gegaan, alsmede van het faillissement van The Television Company Ltd. in 1991. Daarbij is gesteld dat Ten Kortenaar "een spoor van ellende nalaat". Melding is voorts gemaakt van een op 19 janauari 1996,ten laste van mevrouw Ten Kortenaar en de Stichting TPH Beheer, op de roerende goederen van klagers gelegd beslag. Daarnaast is gepubliceerd dat Ten Kortenaar via The Production House B.V. een voorschot van ¦ 272.000,= op een toegekende EG-subsidie heeft ontvangen, welk bedrag niet voor het beoogde doel is aangewend, maar - ondanks een verzoek daartoe van de EG - evenmin aan de EG is terugbetaald. Letterlijk is in de krant vermeld: "Ruim kwart miljoen subsidie verdween in zak Ten Kortenaar". Ook zijn in de krant negatieve mededelingen gedaan omtrent de relatie tussen Ten Kortenaar en enkele van zijn (voormalige) zakenrelaties.

De heer Vuijk heeft klagers telkens voorafgaand aan publicatie van een artikel om een reaktie gevraagd en heeft daarbij vaak een aantal concrete vragen aan Ten Kortenaar gesteld. De tijd die Vuijk Ten Kortenaar bood om op de voorgenomen publicaties te reageren was vaak erg kort, soms zelfs slechts éen uur. Ten Kortenaar heeft met regelmaat, doch niet altijd op de gestelde vragen geantwoord.

Klagers hebben, mede via door hen ingeschakelde advocaten, bij betrokkenen geklaagd over de inhoud van de berichtgeving. Daarnaast hebben zij, naast het instellen van de onderhavige klacht, bij de politie aangifte gedaan van smaad c.q. smaadschrift door de heer Vuijk.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

In de door klagers ingestelde klacht kunnen, voor zover zakelijk van belang, de volgende elementen worden onderscheiden:
a. de beschuldiging dat klager een voorschot op de EG-subsidie ten bedrage van ¦ 272.000,= in eigen zak heeft gestoken is onjuist;
b. in de beschrijving van zakelijke betrekkingen die klager met derden onderhoudt, zijn talloze feitelijke onjuistheden aan te wijzen;
c. er is geen, althans onvoldoende hoor en wederhoor toegepast;
d. onvoldoende is onderscheid gemaakt tussen Ten Kortenaar, zijn echtgenote, The Television Company Ltd., The Production House B.V. en de stichting TPH Beheer;
e. betrokkene heeft alles in het werk gesteld om klagers zakelijk "kapot te schrijven".

Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat de klacht niet serieus moet worden genomen. Zij stellen dat klagers de Raad onvolledig danwel (geheel of gedeeltelijk) in strijd met de waarheid hebben geïnformeerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de verschillende, hierboven onder (a) tot en met (e) weergegeven klachtonderdelen oordeelt de Raad als volgt.

ad klachtonderdeel a:

Vaststaat dat The Production House B.V., waarin klagers zeggenschap hebben, door de EG een subsidie is toegekend waarop een voorschot is uitbetaald van ¦ 272.000,-. Tevens blijkt uit de overgelegde stukken dat de EG terugbetaling van het voorschot heeft gevraagd. Nu niet is gebleken dat klagers daartoe zijn overgegaan en ook niet dat de EG met het niet betalen akkoord is gegaan, konden betrokkenen in twijfel trekken of het bedrag was aangewend ten behoeve van het daarmee beoogde doel. Het in de aankondiging van het artikel op de voorpagina van de krant van 27 januari 1996 opnemen van de tekst: "Ruim kwart miljoen aan subsidies verdwenen in zak van Ten Kortenaar" gaat echter naar het oordeel van de Raad verder dan op grond van de beschikbare stukken gerechtvaardigd is. In zoverre is dit klachtonderdeel gegrond.

ad klachtonderdeel b:

Betrokkenen hebben de beschrijving van de zakelijke verhouding tussen Ten Kortenaar en een aantal derden vooral aan medelingen van derden ontleend. De juistheid daarvan wordt door klagers ontkend. Het is de Raad niet mogelijk de door klagers aangegeven passages - in totaal stellen klagers dat er in de verschenen artikelen meer dan 600 onjuistheden voorkomen - op hun waarheidsgehalte te toetsen. Dit kan ook beter worden overgelaten aan de reeds ingeschakelde rechters die daartoe over meer instrumenten beschikken dan de Raad. Nu de tendens van genoemde beschrijvingen is dat zakenpartners van Ten Kortenaar slechte ervaringen hebben opgedaan met Ten Kortenaar en voldoende aannemelijk is gemaakt dat die gevoelens bij een aantal van hen leven, kan de Raad niet tot gegrondheid van dit klachtonderdeel komen. Terzijde merkt de Raad in dit verband overigens nog op niet overtuigd te zijn geraakt van de relevantie uit een oogpunt van adequate informatie van het publiek van alle feiten zoals deze in de verschillende artikelen naar voren zijn gebracht.

ad klachtonderdeel c:

Zoals uit de gepubliceerde artikelen en de overgelegde stukken blijkt, is klagers meerdere malen om een reactie gevraagd op door betrokkenen aan hen voorgelegde berichten. Dat het resultaat van het wederhoor klagers heeft teleurgesteld brengt nog geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor met zich mee. Voorzover geklaagd wordt over het gunnen van (te) weinig tijd om substantieel op gestelde vragen te kunnen antwoorden, acht de Raad het klachtonderdeel gegrond, nu de actualiteitswaarde van de artikelen daartoe niet noopte.

ad klachtonderdeel d:

Erkend moet worden, dat niet steeds in de artikelen onderscheid wordt gemaakt tussen Ten Kortenaar, zijn echtgenote en de verschillende rechtspersonen. Nu Ten Kortenaar en zijn echtgenote niet alleen genoemde rechtspersonen hebben opgericht, maar zij daarin ook over de zeggenschap beschikken, is het toeschrijven van verrichtingen van de rechtspersonen aan Ten Kortenaar (en echtgenote) journalistiek gezien niet laakbaar.

ad klachtonderdeel e:

Het behoort onmiskenbaar tot de taak van de journalist maatschappelijke misstanden te beschrijven en tegen oplichting en bedrog te waarschuwen. Daarbij is het onvermijdelijk dat als gevolg van het noemen van de namen van personen die voor de gestelde misstanden verantwoordelijk worden geacht, de persoonlijke levenssfeer van die personen wordt aangetast en hun belangen worden geschaad.
De Raad betwijfelt of het terwille van de informatie van de lezers in casu relevant was de zakelijke relaties tussen Ten Kortenaar en derden zo omvangrijk en in detail te beschrijven als in de artikelen is geschied. Dat klagers zakelijk schade hebben ondervonden uitsluitend of voornamelijk als gevolg van de gewraakte publicaties, is echter niet aannemelijk gemaakt. In zoverre is het klachtonderdeel ongegrond.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond waar deze betreft de onvoldoende onderbouwde kop "Ruim kwart miljoen aan subsidies verdween in zak Ten Kortenaar", alsmede waar deze betreft het gunnen van onvoldoende tijd aan klagers om op voorgenomen publicaties te reageren. Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in het Dagblad van Almere.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 december 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, mr B.A. Schmitz, mw A. Koerts en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1996, 43.