1996/42 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. ten Kortenaar, B.L.W. ten Kortenaar-van Kessel, The Production House B.V. en Stichting TPH Beheer

tegen

B. Vuijk en het Dagblad van Almere

Bij brief van 8 juli 1996 met vier bijlagen hebben de heer en mevrouw Ten Kortenaar, The Production House B.V. en Stichting TPH Beheer te Almere (klagers) een klacht ingediend tegen de heer B. Vuijk, journalist bij het Dagblad van Almere en tegen het Dagblad van Almere (betrokkenen). Deze klacht sluit aan op een eerdere, bij brief van 1 februari 1996 door de heer en mevrouw Ten Kortenaar jegens betrokkenen ingediende klacht, over welke klacht in een separate beslissing wordt geoordeeld.
Betrokkenen hebben bij brief van 23 september 1996 met drie bijlagen en bij brief van 3 oktober 1996 met tien bijlagen op de (beide) klacht(en) gereageerd. Klagers hebben naar aanleiding van de brieven van betrokkenen bij brief van 2 oktober 1996 met 6 bijlagen nader gereageerd.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 21 oktober 1996. Klagers noch betrokkenen zijn op de zitting verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In aansluiting op eerder in het Dagblad van Almere over klagers gepubliceerde artikelen is op 4 juli 1996 een artikel van de hand van de heer Vuijk opgenomen in het Dagblad van Almere en in de Gooi- en Eemlander. Dit artikel draagt de kop "Surseance voor bv Ten Kortenaar" en betreft een door de arrondissementsrechtbank te Zwolle aan The Production House B.V. verleende surseance van betaling. In het artikel wordt onder meer melding gemaakt van vermeende schuldeisers van The Production House B.V., alsmede van de hoogte waartoe de schulden van genoemde vennootschap zouden zijn opgelopen.

De surseance van betaling van The Production House B.V. is in een later stadium omgezet in een faillissement.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat in het gewraakte artikel dertien onjuistheden zijn vermeld, welke vermeende onjuistheden door klagers in een bijlage bij de klacht zijn gespecificeerd.

Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat de klacht niet serieus moet worden genomen. Zij stellen dat klagers de Raad onvolledig danwel (geheel of gedeeltelijk) in strijd met de waarheid hebben geïnformeerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

De kern van het artikel betreft het feit dat aan The Production House B.V. surseance van betaling is verleend. Dit feit is juist. De door klagers genoemde onjuistheden hebben deels betrekking op ondergeschikte details, deels op het aantal schuldeisers en de omvang van de schuld.
De Raad is niet in staat onomstotelijk het exacte aantal schuldeisers en de exacte hoogte van de totale schuld vast te stellen. Aangezien het hier gegevens betreft die in het totale beeld van het vaststaande feit van de surseance van betaling niet essentieel zijn, is de Raad van oordeel dat, ook als zou moeten worden vastgesteld dat de gegevens niet geheel correct zijn, niet geoordeeld kan worden dat de klacht gegrond is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in het Dagblad van Almere.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 december 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, mr B.A. Schmitz, mw A. Koerts en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1996, 42.