1996/40 ongegrond

 

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

 

X

 

 

 

tegen

 

 

 

S. van Beek en Dagblad De Limburger

 

 

 

Met een brief van 22 april 1996 met als bijlage een aantal artikelen uit het dagblad De Limburger heeft de heer X te Venray (klager) een klacht ingediend tegen de heer S. van Beek en Dagblad De Limburger (betrokkenen). Betrokkenen hebben bij brief van 7 juni 1996, met bijgevoegd een twaalftal artikelen uit De Limburger, op de klacht gereageerd en zich daartegen verweerd.

 

 

 

De zaak is behandeld ter zitting van 21 oktober 1996 in aanwezigheid van klager en betrokkenen.

 

 

 

 

 

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

 

 

Klager was tot begin 1995 als ambtenaar in dienst van de gemeente Venray. In februari 1995 maakte de gemeente Venray bekend dat een strafrechtelijk onderzoek tegen klager was gestart, omdat klager werd verdacht van verduistering van gemeentelijke eigendommen. Nadien heeft de gemeente Venray ook het dienstverband met klager doen beëindigen.

 

 

 

Klager heeft, nadat zijn dienstverband met de gemeente Venray was beëindigd, geprobeerd op projektbasis werkzaamheden elders te verrichten. Zo heeft hij een projekt, betrekking hebbende op herverdeling van subsidies, aanvaard bij de gemeente Someren. De gemeente Someren heeft, nadat de verschillende raadsfracties de achtergronden van het beëindigde dienstverband van klager bij de gemeente Venray hadden vernomen, de samenwerking met klager beëindigd.

 

 

 

Van Beek was van medio 1991 tot november 1995 verslag-gever van het Dagblad voor Noord-Limburg, inmiddels opgegaan in Dagblad De Limburger. Van Beek was in de gemeente Venray onder meer belast met de politieke en gemeentelijke verslaggeving en met justitie/politienieuws. Van Beek heeft, toen bovengenoemde feiten zich voordeden, dan ook de verslaggeving over de kwestie verzorgd. Ook toen hij later werd overgeplaatst naar de nieuwsdienst in Maastricht bleef de kwestie tot zijn portefeuille behoren.

 

 

 

In totaal heeft Van Beek in de periode van 2 juni 1995 tot 27 maart 1996 twaalf artikelen over klager geschreven.

 

 

 

Voorafgaand aan het eerste artikel van de hand van Van Beek is, bij zijn afwezigheid, een artikel door een van zijn collega's geschreven. Het artikel gepubliceerd op 27 maart 1996 betreft een door Van Beek bewerkte versie van een verslag van een commissievergadering, welk verslag het Eindhovens Dagblad aan Van Beek had aangeleverd.
Uit de artikelen blijkt dat Van Beek klager steeds in de gelegenheid heeft gesteld op voorgenomen publicaties te reageren, maar dat klager van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Ook heeft klager in de periode waarin betrokkenen over de kwestie hebben gepubliceerd, nimmer gevraagd om een rectificatie of plaatsing van een ingezonden brief waarin zijn standpunt over de inhoud van de artikelen naar voren kon worden gebracht.

 

 

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft geen bezwaar tegen de feitelijke vermelding van het justitieel onderzoek tegen hem in de door betrokkenen gepubliceerde artikelen, echter wel tegen het feit dat betrokkenen - naar zijn oordeel - de grenzen van hetgeen in journalistiek opzicht aanvaardbaar is, hebben overschreden. Zijn klacht bestaat, zakelijk samengevat, uit de navolgende vier onderdelen:

 

 

a. in de artikelen staan feitelijke onjuistheden en de berichtgeving is tendentieus;
b. Van Beek heeft op onrechtmatige wijze geprobeerd nieuws te vergaren door zich op enig moment jegens derden uit te geven voor een goede vriend van klager;
c. er is onvoldoende sprake geweest van hoor en wederhoor, waartoe klager heeft gesteld dat wanneer hij zelf het geven van commentaar weigert, dat Van Beek nog niet ontslaat van de mogelijkheid c.q. verplichting andere bronnen in Venray te raadplegen;
d. betrokkenen hebben door hun berichtgeving de integriteit van klager geschaad en hem ook in financieel opzicht schade toegebracht.

 

 

 

Betrokkenen zijn van mening dat de klacht erg vaag geformuleerd is, zodat het moeilijk is daarop te reageren. Zij hebben er begrip voor dat het voor klager niet plezierig is artikelen als door hen gepubliceerd in de krant te lezen, maar menen dat klager hen - "de boodschappers" - de inhoud van die artikelen niet mag verwijten. Klager vervulde een semi-publieke funktie en ontplooide ook in zijn vrije tijd publieke activiteiten, zodat hij in de Venrayse gemeenschap een bekend persoon is. Toen een strafrechtelijk onderzoek tegen hem werd ingesteld en de gemeente Venray het dienstverband met klager wilde beëindigen, hebben betrokkenen het tot hun taak gerekend het publiek over de kwestie te informeren.

 

 

 

Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat geen grenzen van journalistieke betamelijkheid of zorgvuldigheid zijn overschreden. Van Beek voert daartoe aan zijn berichtgeving op informatie uit diverse bronnen te hebben gebaseerd, waaronder informatie van personen die door de recherche over de kwestie zijn gehoord. Deze bronnen geeft Van Beek niet prijs, wel stelt hij dat hij over de betrouwbaarheid en zorgvuldigheid daarvan overleg heeft gevoerd met de hoofdredactie en met collega's. Deze steunden hem in zijn opvatting dat de berichtgeving op voldoende bronnen was gebaseerd en voldoende zorgvuldig tot stand was gekomen. Van Beek had, zo stelt hij, ook geen reden om aan zijn bronnen te twijfelen, mede omdat iedere reaktie van klager op de berichtgeving uitbleef. Ook voert Van Beek aan dat hij voorafgaand aan iedere publicatie klager in de gelegenheid heeft gesteld commentaar op de voorgenomen publicatie te geven. Dat klager daarvan geen gebruik heeft gemaakt is zijn eigen keuze geweest. Voorts betwist Van Beek zich ooit voor een ander te hebben uitgegeven. Hij kan deze beschuldiging niet plaatsen.

 

 

 

 

 

Tot slot wijst Van Beek erop dat de beoordeling van de berichtgeving moet plaatsvinden naar de situatie zoals die was op het moment dat hij verslag deed van het strafrechtelijk onderzoek. Dat uiteindelijk niet alle beschuldigingen zoals deze in het onderzoek zijn betrokken, in de dagvaarding zijn opgenomen, doet aan het onderzoek zoals dat destijds werd uitgevoerd niet af. Overigens meent Van Beek dat een groot deel van de beschuldigingen wel degelijk in de dagvaarding is verwerkt.

 

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad heeft kennis genomen van de stukken en de gewraakte artikelen. Na ook de toelichting ter zitting te hebben gehoord, komt de Raad tot het navolgende oordeel.

 

 

ad klachtonderdeel a

 

 

 

De Raad overweegt dat vaststaat dat een aantal ernstige verdenkingen tegen klager zijn gerezen. Immers, er is een justitieel onderzoek tegen hem ingesteld, hij heeft vier dagen in voorlopige hechtenis gezeten en er is een ontslagprocedure tegen hem in gang gezet. Klager heeft de juistheid van de jegens hem gerezen bedenkingen betwist, maar is er niet in geslaagd aan te tonen dat een en ander geen onderdeel uitmaakte van het tegen hem gerichte onderzoek.

 

 

 

De Raad heeft, beoordelend op basis van de situatie ten tijde van de gewraakte publicaties, niet kunnen constateren dat in de daarin weergegeven beschrijvingen op essentiële punten onjuistheden zijn geslopen. Van Beek heeft bovendien in de artikelen onderscheid gemaakt tussen de feitelijke toedracht en de aandachtspunten van het onderzoek. Hij heeft daarbij duidelijk onder woorden gebracht dat het slechts ging om verdenkingen en dat niet vaststond of deze juist waren.

 

 

 

Dit klachtonderdeel is om genoemde redenen ongegrond.

 

 

 

ad klachtonderdeel b

 

 

 

Dat Van Beek op onrechtmatige wijze nieuws zou hebben vergaard door zich uit te geven voor een goede vriend van klager, is door Van Beek uitdrukkelijk betwist. Klager heeft, door van Beek daartoe uitgenodigd, geen nadere onderbouwing van deze beschuldiging gegeven. Aldus heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag heeft, zodat het als ongegrond moet worden afgewezen.

 

 

 

ad klachtonderdeel c

 

 

 

Uit de stukken en uit de gewraakte artikelen blijkt dat Van Beek herhaaldelijk kontakt heeft gezocht met klager. Gelet op de weinig toeschietelijke houding van klager is er geen aanleiding Van Beek te verwijten dat hij klager onvoldoende de gelegenheid tot wederhoor zou hebben geboden. Klager heeft ter zitting bevestigd dat hij het kontakt met Van Beek van de hand heeft gewezen, waartoe hij heeft aangevoerd dat hij niet via de pers met het gemeentebestuur wenste te communiceren, met welk bestuur hij immers in een arbeidsrechtelijk conflict was verwikkeld.

 

 

 

Voorzover klager betrokkene verwijt dat hij onvoldoende bij derden de juistheid van zijn informatie heeft nagetrokken, heeft dat - wat daar verder ook van zij - niets met het beginsel van hoor en wederhoor van doen: het achterwege laten daarvan leidt niet tot het oordeel
dat sprake is geweest van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

 

 

 

Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

 

 

 

ad klachtonderdeel d

 

 

 

De Raad heeft uit de hem ter beschikking staande gegevens niet kunnen afleiden dat betrokkenen, als klager stelt, de integriteit van klager hebben geschaad. De integriteit van klager is naar het oordeel van de Raad ter discussie komen te staan ten gevolge van het tegen hem ingestelde strafrechtelijk onderzoek. Dat kan aan de journalist die daarvan verslag doet echter niet worden verweten.

 

 

 

Ten aanzien van het artikel van 27 maart 1996 over het werk dat klager ten behoeve van de gemeente Someren verrichtte, heeft klager gesteld dat hij het justitieel onderzoek met betrekking tot zijn dienstverband bij de gemeente Venray niet heeft verzwegen. De Raad acht dat aannemelijk, gezien het feit dat de wethouder van de gemeente Someren heeft verklaard dat hij van de achtergronden op de hoogte was. Mogelijk is dan ook ten onrechte in de kop van het artikel vermeld dat klager het strafrechtelijk onderzoek bij zijn sollicitatie heeft verzwegen. In het artikel zelf is echter wel vermeld dat de wethouder van een en ander op de hoogte was. Overigens is juist dit artikel niet door Van Beek zelf geschreven, maar betreft het een bewerking van een hem door een collega van het Eindhovens Dagblad toegezonden verslag van de commissievergadering.

 

 

 

Dat Van Beek zijn onderzoek naar de activiteiten van klager heeft voortgezet tot aan diens werkzaamheden voor de gemeente Someren, acht de Raad, gelet op de taken van de journalist, niet onaanvaardbaar.

 

 

 

Op grond van deze overwegingen is de Raad van oordeel dat de beschuldiging dat betrokkenen klager op onrechtmatige wijze (financiële) schade hebben toegebracht, onvoldoende is komen vast te staan. Ook dit klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.

 

 

 

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

 

 

 

 

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in Dagblad De Limburger.

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 december 1996, door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, mr B.A. Schmitz, mw A. Koerts en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

 

 

 

 

 

 

Voorzitter Secretaris

 

 

 

 

RvdJ 1996, 40.