1996/4 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A. van Tol en J. Mettes

tegen

J. van den Heuvel/Hoofdredacteur De Telegraaf

In een brief van 15 augustus 1995 met één bijlage heeft de Algemeen Christelijke Politiebond te Leusden namens zijn leden A. van Tol en J. Mettes (klagers) een klacht ingediend tegen de journalist J. van den Heuvel en de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkenen).
Hier is door mr J. Olde Kalter, hoofdredacteur, op gereageerd in een brief van 7 september 1995.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 1996. Namens klagers verschenen de heer H.C. Elling en mevrouw T.H. Ten Wolde van de ACP. Zij overhandigden een pleitnota met vier bijlagen. Van de zijde van betrokkenen verschenen de heer J. van den Heuvel en de heer J. de Haas.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de raad uit van de volgende feiten.

Op zaterdag 5 augustus 1995 publiceerde het dagblad De Telegraaf een pagina-groot artikel van de journalist Van den Heuvel met de kop 'Tipgevers doodsbang na onthulling identiteit'. In dit artikel gaat de journalist nader in op de risico's die een drietal informanten van de Haarlemse Criminele Inlichtingendienst (CID) lopen, nadat tijdens een rechtszaak hun personalia bekend werden. Blijkens het artikel worden ze telefonisch bedreigd en is één van hen ondergedoken. In het artikel werd, op verzoek van de informanten, gebruik gemaakt van gefingeerde namen. De bij de zaak betrokken Haarlemse CID-rechercheurs worden in het artikel wel met naam genoemd. Zij waren ten tijde van de publikatie niet meer als zodanig in functie.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn van mening dat er met de publikatie van hun namen geen enkel belang is gediend, zij speelden in het artikel immers slechts een bijrol. Daarentegen is hun persoonlijk belang geschaad. Als het noemen van de namen van de informanten zeer bedreigend is voor hun veiligheid, dan is dat volgens klagers zeker ook het geval met het noemen van de namen van de betrokken CID-rechercheurs. Ook hun gezinsleden zijn door de publikatie identificeerbaar.

Beide klagers zijn daags na de publikatie telefonisch bedreigd. Omdat door criminelen een verband gelegd kan worden tussen de rechercheurs en de informanten waar zij mee werken, is bovendien het uitoefenen van de functie voor klagers onmogelijk geworden. Betrokkenen hebben een onwijze en onzorgvuldige belangenafweging gemaakt. Klagers wijzen erop, dat de journalist een aantal jaren als rechercheur heeft gewerkt en vanuit dit verleden bekend moet zijn met de mogelijke risico's van dit soort publikaties voor politiemensen.

Volgens betrokkenen was het onderhavige artikel een vervolg op eerdere publikaties over de in opspraak geraakte CID van de regiopolitie Kennemerland. Ook in andere kranten is veelvuldig over de kwestie gepubliceerd. Klagers speelden bij de bekendmaking van de informanten een cruciale rol. Volgens betrokkenen zijn de risico's die een CID-rechercheur in zijn werk loopt niet groter dan die van een agent bij de verkeerspolitie of een wijkteam, mits hij zich aan de regels houdt. Hij hoeft zelf niet te vertoeven of te infiltreren in het criminele milieu. De betrokken journalist is zelf twee jaar lang CID-rechercheur geweest en is goed in staat om te beoordelen of de vermelding van de namen gevaar met zich meebrengt. Bij de openbare verhoren van de commissie Van Traa zijn namen van verhoorde CID-rechercheurs eveneens voluit genoemd. Betrokkenen hebben na een zorgvuldige afweging het algemeen maatschappelijk belang, namelijk de signalerende functie van de journalistiek als het gaat om het functioneren van een inlichtingendienst van de politie, laten prevaleren boven het persoonlijke belang van klagers. Hun voornamen en gezichten waren bij de informanten reeds bekend. De onthulling van de achternamen voegt daar weinig aan toe.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad overweegt dat in beginsel alle gegevens die ertoe dienen om een artikel zo volledig mogelijk te maken, vermeld mogen worden. Van omstandigheden die tot een uitzondering op dit uitgangspunt zouden moeten leiden is in dit geval niet gebleken. De publikatie van hun namen brengt voor klagers geen onevenredig nadeel met zich mee. Op het moment van publikatie waren klagers niet meer werkzaam als CID-rechercheur en begeleidden zij dus geen informanten meer. In de relatie met de informanten zijn dan ook geen extra risico's ontstaan. Klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in hun nieuwe functie zoveel hinder van de bekendwording van hun naam zouden kunnen ondervinden, dat vermelding achterwege had moeten blijven.
De journalist, die wist dat klagers niet meer in functie waren, heeft naar het oordeel van de Raad geen inbreuk gemaakt op de voor hem geldende zorgvuldigheidsnorm.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 februari 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter,mr D.T. Dalmolen, W.F. de Pagter, mr L. van Vollenhoven en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ, 1996 4.