1996/38 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Nederlands Blok

tegen

de hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden

In een brief van 23 mei 1996 met zeven bijlagen heeft de heer W.Th.E. Vreeswijk, landelijk partijvoorzitter van de vereniging Nederlands Blok (klaagster) te Utrecht een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden (betrokkene).
Hierop is door mr D.T. Dalmolen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 13 juni 1996 met één bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 november 1996. Namens klaagster verscheen de heer W.Th.E. Vreeswijk. De heer D.T. Dalmolen verscheen in persoon, vergezeld door de heer H. Kasemir.
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
Na de zitting heeft de heer Dalmolen een brief gezonden aan de Raad. Klager is in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren en heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Het Nieuwsblad van het Noorden publiceerde op 7 mei jl. een paginagroot artikel over de aanhouding en uitlevering van de neo-nazi Gary Lauck. Daarbij werd een zogenaamde infographic van de hand van Harry Kasemir geplaatst, over de betrokkenheid van extreem-rechtse groeperingen bij geweldadige voorvallen. Als bron voor de informatie in de infographic wordt in de infographic in zeer klein corps genoemd: 'De Staat Paraat? '96, Racisme, extreme droit et antisemitisme en Europe', PIOOM. Onder het overzicht van organisaties en groepen in Europa die direct of indirect betrokken zijn geweest bij geweldsdelicten staat ook klaagster vermeld. Klaagster heeft bezwaren tegen deze vermelding en heeft van betrokkene een rectificatie geëist. Nadat betrokkene heeft laten weten deze eis niet te zullen inwilligen, heeft klaagster bij de politie aangifte gedaan van smaadschrift en zich gewend tot de Raad.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster ontkent sinds de oprichting van de vereniging, in augustus 1992, ooit direct of indirect betrokken te zijn geweest bij racistische geweldsdelicten. Ook de betrokkenheid bij de vier ter zitting door de hoofdredacteur genoemde voorbeelden wordt door klaagster weersproken. In twee van de genoemde voorbeelden ging het volgens klaagster niet om geweldsdelicten.
In de andere twee gevallen waren de daders op het moment van het delict geen lid van haar organisatie en betrof het in één geval een uit de hand gelopen burenruzie, zonder politieke achtergrond. Klaagster heeft bezwaren tegen de vermelding van Nederlands Blok in een opsomming waarin, zonder enig onderscheid, ook verboden organisaties voorkomen. Zij wenst niet met dergelijke organisaties over één kam geschoren te worden. Het bericht heeft grote onrust veroorzaakt onder de leden van de vereniging en tot enkele opzeggingen geleid. De aangifte van smaad is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Daartegen loopt een beklagprocedure bij het Gerechtshof in Leeuwarden.

Betrokkene benadrukt de betrouwbaarheid van de door hem geraadpleegde bron: een rapport van het PIOOM, Projecten Interdisciplinair Onderzoek naar Oorzaken van Mensenrechtenschendingen, ondergebracht bij het Centrum voor Onderzoek van Maatschappelijke Tegenstellingen van de Rijks Universiteit Leiden. Betrokkene is van mening dat de krant het werk van de onderzoekers niet kan gaan overdoen en informatie van een betrouwbare bron moet kunnen gebruiken. De samenstellers van het rapport hebben desgevraagd bevestigd dat klaagster terecht in het overzicht is opgenomen en hebben een viertal voorbeelden van betrokkenheid bij geweldsdelicten gegeven, die door betrokkene ter zitting zijn genoemd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt het volgende voorop. Een redactie mag zich bij het publiceren van gegevens baseren op een onder de gegeven omstandigheden als betrouwbaar te beschouwen bron. Of de bron aan die maatstaf voldoet staat in eerste instantie ter beoordeling van de redactie maar kan in een later onderzoek door de Raad getoetst worden.
De redactie hoeft de van die bron verkregen gegevens niet steeds vooraf ook zelf te verifiëren. Dat ontslaat haar echter niet van de plicht om, als na publicatie de juistheid van de gegevens ter discussie wordt gesteld, desgevraagd die juistheid met nadere gegevens te staven. Daartoe mag zij weliswaar terugvallen op de door haar gebruikte bron, maar als deze niet in staat is zodanige nadere gegevens te verschaffen op grond waarvan de juistheid van de gepubliceerde gegevens voldoende aannemelijk kan worden, draagt de redactie daarvoor het risico, omdat zij uiteindelijk voor de publicatie de verantwoordelijkheid blijft dragen. Daarbij kan worden aangetekend dat bij een publicatie die een tenlastelegging van een strafbaar feit impliceert, zoals in dit geval, die verantwoordelijkheid zwaarder weegt en een zekere verificatie van de door de bron verschafte gegevens vooraf aanbeveling verdient.

De betrouwbaarheid van het PIOOM als bron is door klaagster niet, althans niet voldoende bestreden, zodat betrokkene bij publicatie in beginsel op de door deze bron verstrekte gegevens mocht afgaan. Bij nadere toetsing is evenwel de in de infographic vermelde indirecte of directe betrokkenheid van klaagster bij geweldsdelicten onvoldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar is aannemelijk geworden dat personen die lid waren, werden of geweest waren van de vereniging Nederlands Blok betrokken waren bij geweldsdelicten, maar het enkele feit dat een lid van Nederlands Blok betrokken is geweest bij geweldsdelicten betekent nog niet dat de organisatie als zodanig direct of indirect daarbij betrokken is geweest. De Raad is hiervan ook niet overtuigd geraakt door de door betrokkene gegeven, van het PIOOM verkregen voorbeelden.
De Raad is daarom van mening dat met publicatie van deze op zichzelf ernstige beschuldiging aan het adres van klaagster de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Nieuwsblad van het Noorden te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op maandag 2 december 1996
door prof. mr W.D.H. Asser, voorzitter, A. Scherphuis, J.M.P.J. Verstegen en K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 38.