1996/33 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Gender Behandelcentrum Utrecht

tegen

T. Slagter, journalist en
de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad

Met een brief van 20 juni 1996 met 1 bijlage heeft B. van Delen, directeur, namens het Gender Behandelcentrum Utrecht/ Stichting Gender Preselection (klager) te Utrecht een klacht ingediend tegen de journalist T. Slagter en de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad (betrokkenen).
Hierop is namens de hoofdredacteur door R.H. van de Loo, adjunct-hoofdredacteur gereageerd in een brief van 1 juli 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 september 1996.
Namens klager verscheen mr H. Brouwer, advocaat. De heer Slagter verscheen in persoon en namens de hoofdredacteur verscheen de heer R.H. van de Loo.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De journalist Slagter heeft klager medio juni 1996 om commentaar gevraagd op een wetsvoorstel van minister Borst, dat het mogelijk moet maken om ongewenste medische praktijken te verbieden. Klager heeft geweigerd om met betrokkene te praten.
In het Utrechts Nieuwsblad van 18 juni 1996 verscheen vervolgens een artikel met de kop 'Genderkliniek riekt naar boerenbedrog' en de subkop 'Jaar na opening kan directeur nog altijd geen harde cijfers overleggen'. In het licht van genoemd wetsvoorstel worden de behandelmethode van de Genderkliniek en de resultaten daarvan op kritische wijze aan de kaak gesteld. Er wordt vermeld dat de Rijksuniversiteit Limburg wetenschappelijk onderzoek zal verrichten naar de behandelmethode. Daarover merkt de journalist op: Het is opmerkelijk dat een universiteit zich nog leent voor het wetenschappelijk bewijs dat de Gendermethode al dan niet werkt. En in de volgende alinea: Als het aan Van Delen had gelegen, was die wetenschappelijke toetsing helemaal niet nodig geweest. Aan het begin van het artikel wordt vermeld dat klager weigerde om met de krant te praten. De journalist heeft voor zijn artikel geput uit een radio-interview met klager, één dag eerder uitgezonden door de Evangelische Omroep, waarvan hij een bandopname had opgevraagd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager vindt het artikel suggestief en meent dat het tegenstrijdigheden en onjuistheden bevat. De bewering, dat het bij de Genderkliniek naar boerenbedrog riekt, omdat er nog geen harde cijfers kunnen worden overgelegd, acht klager een smadelijke aantijging.
De behandelingen in de Genderkliniek zijn pas in de loop van oktober 1995 gestart, waardoor het volgens klager onmogelijk is om nu al de uitkomsten van alle zwangerschappen te weten. Volgens klager wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat hij de universiteit zou hebben uitgenodigd tot het leveren van wetenschappelijk bewijs. Zelf is hij een warm voorstander van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek.
Klager vindt het onjuist dat er uit het EO-interview is geciteerd, nu hij aan de journalist duidelijk had gemaakt geen commentaar te willen geven. De citaten zijn bovendien een onjuiste weergave van hetgeen hij in het interview heeft gezegd.

Nadat klager commentaar op het wetsvoorstel weigerde hebben betrokkenen besloten het EO-interview te recenseren en de uitspraken van klager te analyseren aan de hand van eerdere publicaties en feiten in de media over de behandelmethode in de kliniek. Het werd derhalve geen nieuwsverhaal, maar een 'duiding' en 'analyse', volgens betrokkenen te herkennen aan de afwijkende grafische vormgeving en opmaak.
De suggestie dat klager de universiteit heeft uitgenodigd om onderzoek te doen wordt volgens betrokkenen door klager zelf gewekt, door middel van zijn uitlatingen in het EO-interview.
Daarin geeft hij ook duidelijk blijk van zijn overtuiging dat de methode betrouwbaar is, waaruit de journalist opmaakte dat hij wetenschappelijk onderzoek eigenlijk niet nodig achtte. Klager kon in de EO-uitzending slechts één zwangerschap met het gewenste geslacht melden, hetgeen volgens betrokkenen erg weinig is nu er zo'n 8 maanden waren verstreken sinds de aanvang van de behandelingen. De krant heeft een informerende taak. De Genderkliniek is in de media, de medische wetenschap en het parlement steeds uiterst kritisch benaderd. Betrokkenen wilden deze kritische houding laten doorklinken in het gewraakte artikel.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad vat de klacht op als enerzijds gericht tegen de inhoud van het artikel, dat klager suggestief vindt en dat tegenstrijdigheden en onjuistheden zou bevatten en anderzijds tegen het gebruikmaken van citaten uit een radio-interview, waar klager had laten weten geen commentaar te willen geven.

De Raad deelt de mening van klager, dat de tekst van het artikel op onderdelen suggestief is, niet. De toonzetting is weliswaar kritisch, maar dat is toelaatbaar en ook begrijpelijk in het licht van de eveneens kritische opstelling van wetenschap en politiek ten opzichte van de behandelmethode van de Genderkliniek. De Raad kan zich voorstellen dat dit bij klager bezwaren heeft opgeroepen, maar daarmee zijn geen journalistieke normen overschreden. Specifieke tegenstrijdigheden en onjuistheden zijn door klager niet genoemd. Gelet op de door klager niet weersproken mededeling, dat nog slechts één succesvolle behandeling kon worden gemeld, kon betrokkene twijfelen aan de deugdelijkheid van de door de Genderkliniek toegepaste methode. De Raad kan niet vaststellen of er uit het radio-interview onjuist is geciteerd, omdat de tekst van dit interview niet aan de Raad ter beschikking is gesteld. In zoverre wordt de klacht dan ook ongegrond geacht.

Uit de tekst van het artikel blijkt dat klager de journalist niet te woord wilde staan. Het staat een journalist vanwege de vrije nieuwsgaring in zo'n geval vrij om voor voor zijn informatie uit andere bronnen te putten. De herkomst van de citaten wordt in het artikel voldoende aangegeven. Op dit punt valt betrokkenen dan ook niets te verwijten.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.
De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Utrechts Nieuwsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 oktober door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, H. van Gessel en drs. M.W.M. Vos-van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 33.