1996/32 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B. Duijmelink-Henraath

tegen

de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

Met een brief van 29 maart 1996 met 1 bijlage heeft mevrouw B. Duijmelink-Henraath (klaagster) te Helmond een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad (betrokkene).
Hierop is door C.J. van Houtert, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 19 april 1996.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 september 1996. Klaagster is niet verschenen. Betrokkene heeft voorafgaand aan de zitting laten weten, af te zien van zijn recht om een mondelinge toelichting te geven.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klaagsters hond is in maart jl. bij een ongeval met een lift in de flat waar klaagster woont om het leven gekomen. In het Eindhovens Dagblad van 21 maart 1996 verscheen over de omstandigheden van dit ongeluk een uitgebreid bericht, waarin de volledige naam van klaagster en de straat waarin zij woont werden genoemd. Klaagster ontving naar aanleiding van het bericht vele negatieve reacties van lezers, die haar verantwoordelijk hielden voor het ongeval. Enkele dagen later publiceerde het Eindhovens Dagblad een vervolgartikel, waarin van de hevige reacties melding werd gemaakt en waarin mevrouw Duijmelink werd geciteerd, die de toedracht van het ongeluk beschreef.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster maakt ernstige bezwaren tegen de vermelding van haar naam en adres in de berichtgeving over het ongeluk. Klaagster is ten gevolge daarvan veelvuldig lastiggevallen. De weergave van de feiten in het eerste bericht was niet geheel correct, maar dit is in het tweede bericht rechtgezet.

Betrokkene is van mening dat lezers er recht op hebben dat 'man en paard' genoemd worden, tenzij er belangrijke redenen zijn tot terughoudendheid. Die redenen waren er in dit geval niet, aldus betrokkene. Dat klaagster is lastiggevallen wordt door betrokkene betreurd, maar daarvoor voelt hij zich niet verantwoordelijk.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht het aanvaardbaar dat bij berichtgeving over gebeurtenissen als de onderhavige namen worden genoemd, tenzij er goede redenen zijn om dit achterwege te laten.
In dit geval kon betrokkene niet vermoeden dat de berichtgeving bij de lezers tot zulke heftige reacties zou leiden. Met de onaangename gevolgen voor klaagster, welke betrokkene niet kon voorzien, hoefde hij naar het oordeel van de Raad dan ook geen rekening te houden.
De krant heeft bovendien in een vervolgartikel aandacht besteed aan de voor klaagster zeer vervelende reacties. Betrokkene heeft daarin duidelijk gemaakt dat klaagster ten aanzien van het ongeluk niets te verwijten viel.
De Raad is van mening dat de grenzen van het toelaatbare in dit geval niet zijn overschreden.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 oktober 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, H. van Gessel en drs. M.W.M. Vos-van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1996, 32.