1996/31 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

G.F. Geerdinck

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad Tubantia

In een brief van 6 februari 1996 heeft de heer G.F. Geerdinck (klager) te Enschede een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad Tubantia (betrokkene). De klacht werd aangevuld met een brief van 12 februari 1996, waarbij 4 bijlagen waren gevoegd.
Hierop is door J.A. van Nus, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 29 februari 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 augustus 1996. Vanwege de aard van de zaak heeft de voorzitter het niet nodig geacht klager en betrokkene voor een mondelinge toelichting van hun standpunten bij de Raad uit te nodigen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In Dagblad Tubantia verscheen in januari 1996 een viertal berichten over de berechting en veroordeling van de moordenaar van een echtpaar uit Almelo door een Zweedse rechtbank. Het echtpaar was in 1984, tijdens een vakantie in Zweden, om het leven gebracht. In de berichtgeving wordt de homoseksualiteit van de moordenaar in verband gebracht met zijn daad. Hij wordt onder meer een homoseksuele lustmoordenaar genoemd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen de vermelding van de homoseksuele geaardheid van de dader in de berichtgeving. Hij wijst erop, dat in misdaadverslagen van Tubantia nooit wordt vermeld wanneer het om een heteroseksueel gaat.
Klager stelt een rechtstreeks belang te hebben bij een uitspraak van de Raad, omdat hij zelf homoseksueel is en in zijn omgeving ook als zodanig bekend staat.

Betrokkene stelt bewust te hebben vermeld dat het bij de dader om een homoseksueel ging, omdat deze aanduiding functioneel was: de man had het in het bijzonder op jongens voorzien en op zoek naar een jongen stuitte hij bij toeval op het echtpaar, dat daarop het slachtoffer werd. Zaken als deze worden volgens betrokkene altijd met de nodige zorgvuldigheid behandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel dat klager niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 2 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad. De Raad kan derhalve geen oordeel uitspreken over de klacht.

BESLISSING:

De Raad acht klager niet-ontvankelijk.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad Tubantia te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 augustus 1996 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr A.J. Heerma van Voss, mr E.C.M. Jurgens en drs. M.W.M. Vos-van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1996, 31.