1996/30 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

G. Havertong

tegen

1. de hoofdredacteur van De Telegraaf
en
2. de hoofdredacteur van Privé

In een brief van 12 februari 1996 heeft mevrouw G. Havertong te Epse (klaagster) een klacht ingediend tegen zowel de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkene 1) als de hoofdredacteur van Privé (betrokkene 2).
Hierop is door betrokkene 1 gereageerd in een brief van 27 februari 1996 en door betrokkene 2 in een brief van 7 maart 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 augustus 1996. Partijen hebben voorafgaand aan de zitting laten weten dat zij van het recht om hun standpunt mondeling toe te lichten geen gebruik wensen te maken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 26 september 1995 was klaagster slachtoffer van een verkeersongeval. Daarbij raakte zij levensgevaarlijk gewond.
Op de voorpagina van De Telegraaf verscheen op 27 september 1995 een kleurenfoto van klaagster, waarbij te zien was hoe zij bekneld zat in haar auto. Het weekblad Privé publiceerde in het nummer van 14 oktober 1995 een serie kleurenfoto's van het ongeval, waaronder de reeds in De Telegraaf gepubliceerde foto. Bij de fotoreportage stond een artikel van de hand van Matthieu Slee, met de kop "Werden 'duistere krachten' Gerda Havertong bijna fataal?". In het artikel wordt geschreven over 'Een ongelukkig ongeval, al zijn er mensen die vrezen dat de actrice het onheil over zich heeft afgeroepen'. Er wordt een relatie gelegd met de rol die klaagster speelt in de musical 'Faya': In het stuk speelt zij een zekere tante Sjane, een voorzangeres tijdens omstreden Winti-bijeenkomsten. Maar ook privé hecht de onfortuinlijke actrice aan deze rituelen...
In het bijschrift bij de foto's staat: (...) Gevreesd wordt dat diezelfde 'ongrijpbare machten' zich nu tegen haar hebben gekeerd...(...). Ook wordt beschreven dat klaagster haar auto door middel van een fles bier, die over het dak werd leeggegoten, tegen het ongeluk wilde beschermen, met als slotzin Het inwijdingsritueel heeft haar niet mogen baten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat betrokkenen met de publicatie van de foto's, gemaakt onmiddellijk na de fatale botsing, de grenzen van het toelaatbare hebben overschreden. Zij heeft er een redelijk belang bij niet in een zo pijnlijke en benarde situatie afgebeeld te worden op een zo herkenbare en niets verhullende wijze.
Het artikel in Privé acht klaagster tendentieus, nu daarin wordt gesuggereerd dat zij zelf het onheil over zich heeft afgeroepen door haar rol in de musical en de waarde die zij in haar privé-leven hecht aan Winti.
Klaagster is van mening, dat ook bekende Nederlanders recht hebben op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer, hoewel zij beseft dat zij zich meer moeten laten welgevallen dan niet-publieke figuren.

Betrokkene 1 heeft de Raad laten weten geen reden te zien om op de klacht te reageren.
Betrokkene 2 verwijst voor zijn verweer naar de brief die aan de advokaat van klaagster is gestuurd. Daarin zegt betrokkene 2 dat nergens uit de tekst blijkt, dat de redactie gesteld zou hebben dat klaagster de boze krachten die debet zouden zijn aan het verkeersongeval zelf over zich heeft afgeroepen. De redactie refereerde slechts aan mensen (bezoekers van de musical) die deze vrees hebben geuit. De anecdote met betrekking tot de inwijding van de auto zou klaagster zelf in een interview hebben verteld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is tweeledig, namelijk enerzijds gericht tegen de publicatie van foto's door betrokkene 1 en 2 en anderzijds tegen het door betrokkene 2 gepubliceerde artikel.

Ten aanzien van de publicatie van de foto's geldt het volgende.
In het algemeen zullen publiekelijk bekende personen moeten dulden dat hun portret wordt gepubliceerd wanneer zij in het nieuws komen. Dat wil echter niet zeggen, dat alle afbeeldingen in alle denkbare situaties zonder meer voor publicatie gebruikt mogen worden. Ook publieke personen hebben immers recht op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer.
De foto's waarover wordt geklaagd hadden zeker nieuwswaarde. De foto van klaagster beklemd in de wrakstukken, welke foto op de voorpagina van De Telegraaf en bij het artikel in Privé is afgedrukt, toont klaagster echter in wel zeer pijnlijke omstandigheden. Met de gelaatsuitdrukking van klaagster, die goed te zien is op deze foto die door beide betrokkenen is gepubliceerd, worden haar door de extreme omstandigheden opgeroepen emotie en pijn onmiskenbaar duidelijk. De Raad acht deze gevoelens en omstandigheden van hoogstpersoonlijke aard en is dan ook van oordeel dat met publicatie van deze foto een ernstige, en niet door de toegevoegde nieuwswaarde gerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van klaagster. Een zorgvuldige afweging van de journalistieke verantwoordelijkheid tegen de nieuwswaarde had bij beide betrokkenen mee moeten brengen dat zij de publicatie van deze foto achterwege hadden gelaten. In zoverre is de klacht tegen beide betrokkenen gegrond.
Voor de andere, in Privé afgedrukte, foto geldt het voorgaande evenwel niet, nu klaagster daarop weliswaar te zien is maar niet in een herkenbare pijnlijke gemoedstoestand.
In zoverre is de klacht ongegrond.

Het in Privé gepubliceerde artikel moet volgens de Raad in zijn context worden bezien. Bij lezing van het artikel wordt duidelijk, dat het hier niet om een serieuze analyse van de oorzaak van het ongeval gaat. De mogelijkheid dat er een relatie bestaat tussen de gebeurtenissen en de geloofs- of levensovertuiging van klaagster wordt op suggestieve - en naar ongetwijfeld veler oordeel smakeloze - wijze verwoord, maar daarmee zijn volgens de Raad de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, niet overschreden.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond voorzover die betrekking heeft op publicatie van de foto door betrokkene 1 en publicatie van diezelfde foto door betrokkene 2. Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf en in Privé te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 augustus 1996 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr A.J. Heerma van Voss, mr E.C.M. Jurgens en drs. M.W.M. Vos-van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 30.