1996/28 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Visser

tegen

de redactie van Vesuvius, televisieprogramma van de IKON

In een brief van 10 februari 1996 heeft de heer J. Visser (klager) te Haarlem een klacht ingediend tegen de redactie van Vesuvius, een televisieprogramma van de IKON (betrokkene).
Hierop is door J. van Dongen, redacteur, en C. Grimbergen, eindredacteur van Vesuvius, gereageerd in een brief van 21 maart 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 augustus 1996. Vanwege de aard van de zaak heeft de voorzitter het niet nodig geacht klager en betrokkene voor een mondelinge toelichting van hun standpunten uit te nodigen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 16 januari 1996 werd klager benaderd door redacteur Van Dongen van Vesuvius met de vraag of hij een bijdrage kon leveren aan een aflevering van Vesuvius, over de ingrijpende gevolgen van journalistieke fouten. Aan klager werd verzocht een column te schrijven. Wanneer dat niet zou lukken zou klager zijn lied 'Journalisten' ten gehore brengen. Voor de bijdrage werd een honorarium afgesproken. Uiteindelijk vond betrokkene de column niet geschikt voor de aflevering. Nadat klager zeer boos reageerde heeft betrokkene afgezien van diens deelname aan de uitzending.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager vindt de argumenten van betrokkene om de column te weigeren in journalistiek opzicht te kort schieten en niet acceptabel. Hij is bovendien van mening dat het handelen van betrokkene in strijd is met de vrijheid van een columnist, omdat volgens hem de journalist degene is die, hoge uitzondering daargelaten, bepaalt of zijn column wel of niet doorgaat.
Volgens betrokkene kreeg de redacteur door de boze reactie van klager niet de gelegenheid om toe te lichten waarom de column niet werd gebruikt. Een gesprek met klager was niet meer mogelijk en men heeft dan ook van verdere samenwerking afgezien, aldus betrokkene. Het overeengekomen honorarium is aan klager betaald. Betrokkene wijst op artikel 48 van de Omroepwet, dat luidt:'Iedere instelling die zendtijd heeft gekregen bepaalt, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, vorm en inhoud van haar programma en is verantwoordelijk voor hetgeen in haar zendtijd wordt uitgezonden'.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad heeft op grond van zijn Statuten tot taak, om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
De handelwijze van betrokkene waartegen klager zich richt, speelt zich af binnen het kader van de contractuele relatie tussen een journalist en de verantwoordelijke redactie die hem een opdracht verstrekte ten behoeve van een omroepprogramma. Het behoort niet aan de door de Statuten aan de Raad opgedragen taak om gedragingen die in het kader van een zakelijke relatie tussen partijen plaatsvinden, te beoordelen. De Raad acht zich derhalve niet bevoegd over de klacht te oordelen.

BESLISSING:

De Raad verklaart zich niet bevoegd.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing in één van zijn uitzendingen geheel of in samenvatting bekend te maken.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 augustus 1996 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mr A.J. Heerma van Voss, mr E.C.M. Jurgens en drs. M.W.M. Vos-van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 28.