1996/26 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond

tegen

Dagblad De Telegraaf

Met een brief van 2 februari 1996 met vier bijlagen heeft de heer W.W.M. Lendering, commissaris van politie en districtschef van het district IJsselgemeenten van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond (klager) een klacht ingediend tegen Dagblad De Telegraaf (betrokkene).
De hoofdredacteur van De Telegraaf heeft zich bij brief van 11 maart 1996 tegen de klacht verweerd.

De zaak is behandeld ter zitting van 5 juli 1996. Namens klager zijn verschenen de heer W.W.M. Lendering en mevrouw E.M. Schotman, persvoorlichtster van voornoemd district van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Betrokkene had laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Naar aanleiding van een familiedrama in Krimpen aan den IJssel op 11 januari 1996, heeft De Telegraaf op 13 januari 1996 een artikel gepubliceerd. In dit artikel is gesuggereerd dat hoofdinspecteur van politie de heer B.J.M. Hessling op een voor het betrokken politiepersoneel georganiseerde bijeenkomst zou hebben verteld wat hij in de woning van de bewuste familie had aangetroffen. De hierop betrekking hebbende passage in het artikel wordt gevolgd door een citaat opgetekend uit de mond van de heer Hessling.

Op 13 januari 1996 heeft de heer Hessling telefonisch kontakt opgenomen met De Telegraaf en gesproken met de heer H. Boogert, de journalist die het artikel heeft geschreven, en met de heer T. Jongedijk. In deze gesprekken heeft de heer Hessling zijn verontwaardiging uitgesproken over de door De Telegraaf ten onrechte gedane suggestie. De heer Hessling heeft duidelijk gemaakt dat hij de beschreven informatie niet heeft verstrekt, noch op de bewuste bijeenkomst voor politiepersoneel, noch elders.
De heer Boogert heeft de heer Hessling meegedeeld dat zijn artikel was gebaseerd op hetgeen hij in een reportage van Radio Rijnmond had gehoord. De heren Boogert en Jongedijk hebben vervolgens tegenover de heer Hessling erkend dat de inhoud van die reportage geen

grond bood om de gewraakte uitspraken aan de heer Hessling toe te schrijven.

Op 15 januari 1996 heeft de heer Hessling, via de heer
M. Lenferink, persvoorlichter, De Telegraaf verzocht een korte rectificatie te plaatsen. Dit verzoek is door De Telegraaf geweigerd. Wel bestond de bereidheid tot het plaatsen van een ingezonden brief. Bovendien zou een excuusbrief uitgaan naar de heer Hessling. Op 15 januari 1996 ontving de heer Hessling via mevrouw Schotman een faxbrief van De Telegraaf, waarin een voorstel werd gedaan voor de inhoud van de te plaatsen brief. Met dit voorstel kon de heer Hessling zich niet verenigen. Namens hem heeft mevrouw Schotman op 17 januari 1996 per telefax een tegenvoorstel gedaan om de zaak te regelen aldus, dat De Telegraaf integraal en onbecommentarieerd een ingezonden brief van de heer Hessling zou plaatsen en de heer Hessling van

De Telegraaf een excuusbrief zou ontvangen. Een redactrice van De Telegraaf, mevrouw A. de Jong, heeft mevrouw Schotman daarop telefonisch laten weten dat De Telegraaf met dit voorstel akkoord ging. Op 17 januari 1996 is een ingezonden brief van de heer Hessling via mevrouw Schotman aan De Telegraaf toegezonden.

Op 18 januari 1996 is de ingezonden brief van de heer Hessling in De Telegraaf afgedrukt, echter niet integraal. Weggelaten zijn de navolgende twee zinnen:
"Op dit punt beschouw ik uw artikel als onzorgvuldig en ongepast. Hoewel ik een en ander met uw redactie besproken heb, leek mij deze schriftelijke reactie zeker op z'n plaats."
De heer Hessling heeft voorts tot op de datum van behandeling door de Raad geen excuusbrief van De Telegraaf ontvangen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt zich op het standpunt dat betrokkene op tweeƫrlei wijze onjuist heeft gehandeld:

a. Betrokkene heeft journalistiek onzorgvuldig en ongepast gehandeld waar het de inhoud van het artikel van 13 januari 1996 betreft;
b. betrokkene heeft bij de afhandeling van de klacht van de heer Hessling onzorgvuldig en in strijd met de gemaakte afspraken gehandeld.

Betrokkene heeft de juistheid van de door klager gestelde feiten grotendeels erkend, maar stelt dat klager tot foutieve conclusies komt. Betrokkene betwist een belangrijk deel van de brief van de heer Hessling te hebben geschrapt en stelt dat, voorzover hij heeft kunnen nagaan, slechts de passage "Hoewel ik een en ander met uw redactie besproken heb, leek mij deze schriftelijke reactie zeker op zijn plaats" is vervallen. Betrokkene stelt daarnaast slechts een plaatsnaam aan de brief te hebben toegevoegd.

Ten aanzien van de excuusbrief stelt betrokkene dat de heer Hessling nog diende mee te delen wat in de brief moest worden vermeld: hij mocht de inhoud "dicteren". Toen niets meer van de heer Hessling werd vernomen, is betrokkene ervan uitgegaan dat het verzoek om een excuusbrief inmiddels was "verdampt".
Klager heeft de juistheid van deze opmerkingen betwist en stelt dat de excuusbrief door De Telegraaf zou worden opgesteld. Alleen dan heeft een dergelijke brief ook het karakter van een excuusbrief, aldus klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad overweegt dat betrokkene heeft erkend dat in het gewraakte artikel mededelingen aan de heer Hessling zijn toegeschreven welke laatstgenoemde niet heeft gedaan, zodat de inhoud van het gewraakte artikel om genoemde redenen gedeeltelijk onjuist was. Gelet op de context waarin de betreffende mededelingen zijn geplaatst was vermelding daarvan schadelijk voor klager. Betrokkene heeft aldus onzorgvuldig jegens klager gehandeld. Klachtonderdeel (a) is om deze redenen gegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel (b) overweegt de Raad dat onweersproken is dat een regeling is getroffen als hierboven weergegeven. Hoewel naar het oordeel van de Raad in het algemeen geen verplichting bestaat ingezonden stukken integraal op te nemen, is dat anders wanneer integrale publicatie van een ingezonden brief uitdrukkelijk is toegezegd, zoals hier het geval is. Dit geldt temeer nu in de weggelaten passages voor klager een belangrijk onderdeel van de brief gelegen was. Terzijde merkt de Raad daarbij op dat de brief van de heer Hessling bepaald niet te lang was om de gemaakte afspraken gestand te doen.

Waar het de excuusbrief betreft wordt de Raad geconfronteerd met twee verschillende standpunten over de inhoud van de gemaakte afspraken. De Raad kan niet vaststellen welk standpunt juist is. De Raad is echter van oordeel dat ook indien juist is dat de heer Hessling met een tekstvoorstel zou komen -zoals betrokkene stelt- het op de weg van betrokkene lag om bij het uitblijven daarvan over de kwestie kontakt op te nemen met de heer Hessling, in plaats van eenzijdig vast te stellen dat dit onderdeel van de gemaakte afspraken intussen "verdampt" zou zijn.

Ook klachtonderdeel (b) is om genoemde redenen gegrond.

Klager heeft, uit een oogpunt van zorgvuldigheid jegens de familie waarop de kwestie betrekking heeft, verzocht de klacht met discretie te behandelen. Om die reden zal deze beslissing, onder toepassing van artikel 10 lid 3 van het reglement van de Raad, uitsluitend in De Journalist worden gepubliceerd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 juli 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, mr B.A. Schmitz, mw A. Koerts en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

voorzitter secretaris

RvdJ 1996, 26.