1996/24 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C.H. Spuijbroek

tegen

de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

Met een brief van 13 december 1995 met 5 bijlagen heeft de heer C.H. Spuijbroek te Middelbeers (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad (betrokkene).
Hierop is door de heer C.J. van Houtert, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 12 februari 1996. Klager heeft in een brief van 22 februari 1996 met 1 bijlage een nieuwe klacht ingediend tegen betrokkene. Daar is door betrokkene bij brief van 1 maart 1996, met 2 bijlagen op gereageerd.

Beide klachten zijn behandeld ter zitting van de Raad van 14 juni 1996. Betrokkenen zijn niet verschenen, maar hebben hun standpunten in de vorm van een voorafgaand aan de zitting verstuurde pleitnota aan de Raad kenbaar gemaakt.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De Raad heeft op 21 november 1995 een klacht van klager tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad ongegrond verklaard. Die klacht had betrekking op de vermelding van de naam van klager in een bericht over een 1 april-grap, die ertoe had geleid dat tegen klager aangifte werd gedaan wegens het vervalsen van handtekeningen. In de uitspraak werd het Brabants Dagblad verzocht om de beslissing integraal of in samenvatting te publiceren.
Op 24 november 1995 publiceerde het Brabants Dagblad een samenvatting van die uitspraak. Op 25 november 1995 verscheen daarover een bericht in het Eindhovens Dagblad, dat evenals het Brabants Dagblad een uitgave is van Brabant Pers. Het bericht eindigt met de passage:
De aangifte heeft niet geleid tot vervolging. Wijergangs en Ebbeng hebben een gesprek gehad met de grappenmaker en daarmee is de zaak wat hen betreft uit de wereld.
In het bericht in het Brabants Dagblad stond een passage van gelijke strekking. Klager heeft in een brief van 4 december 1995 aan de hoofdredactie van het Brabants Dagblad verzocht het bericht te rectificeren, omdat het daarin genoemde gesprek volgens hem nooit heeft plaatsgevonden. Een kopie van deze brief zond hij aan betrokkene. Zijn verzoek werd door beide hoofdredacties niet gehonoreerd. Begin januari 1996 zond klager een ingezonden brief over de kwestie aan het Eindhovens Dagblad, met de titel 'Hoe ziek is de journalistiek'. Die werd niet geplaatst. Op 12 januari 1996 verscheen er een column van C. van Houtert, hoofdredacteur, met de kop 'Een krijtwitte querulant'. Daarin portretteert hij klager als een querulant, vanwege de vele verwijtende brieven die de redactie in de loop der jaren van klager mocht ontvangen. Ook de uitspraak van de Raad werd daarbij aangehaald. Klager wordt in de column niet met zijn naam genoemd, maar met het door hem gebruikte pseudoniem aangeduid.
Een ingezonden brief, waarin klager op de column reageert, is door betrokkene op 30 januari 1996 gepubliceerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De eerste klacht is gericht tegen de berichtgeving in het Eindhovens Dagblad van 25 juni 1995. Het daarin genoemde gesprek met de heren Wijergangs, burgemeester, en Ebbeng, gemeentesecretaris, heeft volgens klager nooit plaatsgevonden. Ten bewijze daarvan heeft klager brieven van beide heren overgelegd. De heer Wijergangs ontkent noch bevestigt daarin dat het gesprek heeft plaatsgevonden. De heer Ebbeng schrijft dat hij het bedoelde gesprek met klager niet heeft gevoerd. Volgens klager wordt door het bericht de suggestie gewekt, dat het geschil door een minnelijke schikking is opgelost, terwijl in werkelijkheid de aangifte is geseponeerd. Klager is bovendien van mening dat zijn verzoek tot rectificatie ten onrechte is geweigerd.
De tweede klacht richt zich tegen de wijze waarop klager door betrokkene wordt omschreven in de column. Hij acht het stuk beledigend en beschuldigend. Vanwege de berichtgeving over de 1 april-grap weet iedereen dat de hier beschreven persoon klager is. Klager stelt dat betrokkene zijn belangrijke maatschappelijke functie van hoofdredacteur van een regionaal dagblad heeft misbruikt om een hem niet-welgevallig persoon de grond in te schrijven. Op 7 juni 1996 zond klager wederom een ingezonden brief aan betrokkene, met de titel 'Verbeter de krant, begin bij jezelf'. Ook die werd weer geweigerd.

Betrokkene stelt in reactie op de eerste klacht, dat het hem pas na ontvangst van het afschrift van klagers brief aan het Brabants Dagblad, 10 dagen na publicatie, duidelijk werd dat er aan de berichtgeving iets mankeerde. Op dat moment had rectificeren geen zin meer, temeer niet nu het om een fout van geringe betekenis ging, aldus betrokkene. De door klager geƫiste rectificatie stond volgens betrokkene in geen verhouding tot de veronderstelde fout.
Met betrekking tot de tweede klacht merkt betrokkene op, dat zijn column tot stand kwam naar aanleiding van de ingezonden brief van klager met de titel 'Hoe ziek is de journalistiek'. Deze brief kwam, alleen al vanwege zijn lengte, niet voor publikatie in aanmerking. Op dat moment was betrokkene nog niet op de hoogte van de klacht die klager had ingediend over de berichtgeving met betrekking tot de uitspraak van de Raad. Tussen de eerste klacht en de column bestaat dan ook geen verband. In de column staan volgens betrokkene geen onjuistheden. Bovendien is het weerwoord van klager, in de vorm van zijn ingezonden brief, gepubliceerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De eerste klacht betreft de vermelding van een feitelijke onjuistheid en de weigering van betrokkene om die te rectificeren. De Raad acht het op grond van de overgelegde bewijsstukken aannemelijk, dat het genoemde gesprek inderdaad niet heeft plaatsgevonden. De passage bevat evenwel geen beschuldigingen of onrechtmatigheden, zodat de Raad de vermelding van deze onjuistheid niet laakbaar acht. Betrokkene had er verstandig aan gedaan deze onjuistheid recht te zetten. De weigering om een en ander te rectificeren is naar het oordeel van de Raad desondanks niet onredelijk. Daarbij is overwogen, dat de onjuiste mededeling niet beledigend of anderszins schadelijk was voor klager. Het verzoek tot rectificatie bereikte betrokkene pas na 10 dagen en dan nog in de vorm van een zeer uitvoerige tekst die op de voorpagina zou moeten worden gepubliceerd. Onder die omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat de grenzen van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar moet worden geacht zijn overschreden.

Ten aanzien van de tweede klacht overweegt de Raad het volgende.
Aan de schrijver van een column komt een zeer grote mate van vrijheid toe om zijn mening te geven en conclusies te trekken uit door hem gepresenteerde feiten. In dit geval heeft betrokkene daarbij naar het oordeel van de Raad geen grenzen overschreden. Nu klager bovendien de gelegenheid heeft benut om uitvoerig te reageren en betrokkene die reactie heeft gepubliceerd, acht de Raad ook deze klacht ongegrond.

BESLISSING:

De Raad acht beide klachten ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 1996 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, H. van Gessel en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 24.