1996/23 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C.H. Spuijbroek

tegen

de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Met een brief van 13 december 1995 met 5 bijlagen heeft de heer C.H. Spuijbroek te Middelbeers (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (betrokkene).
Hierop is door de heer mr B. Brummelhuis, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 19 februari 1996 met 6 bijlagen.
De klacht is behandeld ter zitting van de Raad van 14 juni 1996. Betrokkenen zijn niet verschenen. Klager heeft zijn standpunt in de vorm van een voorafgaand aan de zitting verstuurde pleitnota aan de Raad kenbaar gemaakt. Betrokkene heeft laten weten van het recht zijn standpunt mondeling toe te lichten geen gebruik te zullen maken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De Raad heeft op 21 november 1995 een klacht van klager tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad ongegrond verklaard. Die klacht had betrekking op de vermelding van de naam van klager in een bericht over een 1 april-grap, die ertoe had geleid dat tegen klager aangifte werd gedaan wegens het vervalsen van handtekeningen. In de uitspraak werd het Brabants Dagblad verzocht om de beslissing integraal of in samenvatting te publiceren.
Op 24 november 1995 publiceerde het Brabants Dagblad een samenvatting van die uitspraak. Het bericht eindigt met de passage:
De aangifte van de burgemeester en zijn secretaris heeft niet geleid tot een vervolging van Spuijbroek. Inmiddels hebben Wijergangs en Ebbeng een gesprek gehad met de grappenmaker en daarmee is de zaak voor hen uit de wereld.
Klager heeft in een brief van 27 november 1995 betrokkene erop gewezen dat de hier aangehaalde passage onjuist was, omdat het daarin genoemde gesprek volgens hem nooit heeft plaatsgevonden. Daarbij vroeg hij om een passende reactie. Betrokkene heeft klager geantwoord, dat hij de zaak als afgedaan beschouwde. Op 4 december 1995 heeft klager betrokkene schriftelijk verzocht een door hemzelf opgestelde rectificatie te plaatsen. Zijn verzoek werd niet gehonoreerd. Wel werd klager aangeboden om middels een ingezonden brief te reageren. Klager wilde daar echter slechts onder bepaalde voorwaarden op ingaan.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De klacht is gericht tegen de berichtgeving in het Brabants Dagblad van 24 juni 1995. Het daarin genoemde gesprek met de heren Wijergangs, burgemeester, en Ebbeng, gemeentesecretaris, heeft volgens klager nooit plaatsgevonden. Ten bewijze daarvan heeft klager brieven van beide heren overgelegd. De heer Wijergangs ontkent noch bevestigt daarin dat het gesprek heeft plaatsgevonden. De heer Ebbeng schrijft dat hij het bedoelde gesprek met klager niet heeft gevoerd. Volgens klager wordt door het bericht de suggestie gewekt, dat het geschil door een minnelijke schikking is opgelost, terwijl in werkelijkheid de aangifte is geseponeerd. Klager is bovendien van mening dat zijn verzoek tot rectificatie ten onrechte is geweigerd.

Betrokkene stelt in reactie op de klacht, dat na ontvangst van de uitspraak van de Raad contact is opgenomen met de politie om te informeren hoe het stond met de aangifte tegen klager. Een woordvoerder van de politie zou gezegd hebben dat de klacht was ingetrokken na een gesprek tussen partijen. Er zou dus geen vervolging komen. Betrokkene zag geen reden om aan het waarheidsgehalte van die mededeling te twijfelen.
Voor een rectificatie zag betrokkene geen reden. De hoofdinformatie in het bericht was, dat de aangifte niet had geleid tot vervolging. Die informatie was juist. Aan klager is aangeboden, dat hij een ingezonden brief kon sturen. Zijn antwoord hield volgens betrokkene louter buiten-proportionele eisen in, waarna betrokkene de correspondentie heeft beƫindigd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht betreft de vermelding van een feitelijke onjuistheid en de weigering van betrokkene om die te rectificeren. De Raad acht het op grond van de overgelegde bewijsstukken aannemelijk, dat het genoemde gesprek inderdaad niet heeft plaatsgevonden. De passage bevat evenwel geen beschuldigingen of onrechtmatigheden, zodat de Raad de vermelding van deze onjuistheid niet laakbaar acht. Betrokkene had er verstandig aan gedaan deze onjuistheid recht te zetten. De weigering om een en ander te rectificeren is naar het oordeel van de Raad desondanks niet onredelijk. Daarbij is overwogen, dat de onjuiste mededeling niet beledigend of anderszins schadelijk was voor klager. Het verzoek tot rectificatie bereikte betrokkene pas na 10 dagen en dan nog in de vorm van een zeer uitvoerige tekst die op de voorpagina zou moeten worden gepubliceerd. Onder die omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat de grenzen van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar moet worden geacht zijn overschreden.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 1996 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, H. van Gessel en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 23.